ECLI:NL:RBDHA:2026:18717

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
C/09/633634
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot voortzetting voorlopig getuigenverhoor wegens buiten reikwijdte vallende feiten

In deze civiele procedure hebben verzoekers een voorlopig getuigenverhoor aangevraagd om inzicht te verkrijgen in vermeende onrechtmatige handelingen en tekortkomingen van belanghebbende, waaronder negatieve uitlatingen en gedragingen die hun privéleven zouden verstoren.

Eerder was het voorlopig getuigenverhoor reeds deels gesloten, maar na hoger beroep heropend voor het horen van twee getuigen. Verzoekers verzochten vervolgens om het horen van drie nadere getuigen over een incident in maart 2024 en vermeende negatieve uitlatingen van belanghebbende aan gemeentelijke functionarissen.

De rechter-commissaris oordeelt dat het feitelijk gebeuren waarop het voorlopig getuigenverhoor betrekking heeft, zoals door het hof vastgesteld, beperkt is tot het verstoren van het privéleven door personen die zich ophielden bij de woning van verzoekers en negatieve uitlatingen die hun politieke positie beïnvloedden. De gevraagde nadere getuigenissen betreffen andere feiten die buiten deze reikwijdte vallen en bovendien van latere datum zijn.

Daarom wordt het verzoek tot het horen van de drie nadere getuigen afgewezen en het voorlopig getuigenverhoor gesloten. Deze beslissing is genomen door rechter-commissaris A.M. Boogers en op 20 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Verzoek tot het horen van drie nadere getuigen wordt afgewezen en het voorlopig getuigenverhoor wordt gesloten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/633634 / HA RK 22-313
beschikking van 20 mei 2026
in de zaak van

1.[verzoeker 1] ,

2.
[verzoeker 2] ,
beiden wonende te [woonplaats 1] ,
verzoekers,
advocaat: mr. Th.S.A. Berkhout te Helmond,
tegen
[belanghebbende],
wonende te [woonplaats 2] ,
belanghebbende,
advocaat: mr. P.J. Winkel te Berkel en Rodenrijs,
Partijen worden hierna ook [verzoekers] c.s. en [belanghebbende] genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Naar aanleiding van het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van [verzoekers] c.s. van 11 augustus 2022 zijn op verschillende momenten getuigen gehoord. Bij beschikking van 25 januari 2024 heeft de rechter-commissaris het verzoek van [verzoekers] c.s. om nadere getuigen te horen afgewezen en het voorlopig getuigenverhoor gesloten.
1.2.
Tegen deze beschikking hebben [verzoekers] c.s. hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) heeft daarop beslist in zijn beschikking van 22 juli 2025 met zaaknummer 200.341.848/01. Het hof heeft – kort gezegd – het voorlopig getuigenverhoor heropend en de zaak verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van twee nadere getuigen. Deze getuigen zijn gehoord op 4 maart 2026.
2. Het verzoek van [verzoekers] c.s. tot voortzetting van het voorlopig getuigenverhoor
2.1.
Bij brief van 17 maart 2026 hebben [verzoekers] c.s. verzocht tot het horen van drie nadere getuigen, te weten mevrouw [getuige 1] , de heer [getuige 2] en mevrouw [getuige 3] .
2.2.
In het verzoek van [verzoekers] c.s. van 17 maart 2026 lichten zij toe dat in maart 2024 een incident heeft plaatsgevonden in de woning van [verzoekers] c.s. waarbij [verzoeker 1] is mishandeld en bedreigd, en waarbij een steekincident plaatsvond waarna [verzoeker 1] enige tijd in voorlopige hechtenis heeft gezeten. [verzoekers] c.s. stellen dat [belanghebbende] contact heeft gehad met diverse media over het incident, wat tot een voor [verzoekers] c.s. vernietigend artikel in het Leidsch Dagblad heeft geleid. In het artikel staat dat een delegatie uit de straat waarin [verzoekers] c.s. wonen, met [getuige 1] , de toenmalige burgemeester van Noordwijk, heeft gesproken. [verzoekers] c.s. stellen dat zij in een gesprek met [getuige 2] , wethouder in de gemeente Noordwijk, en [getuige 3] , ambtenaar bij de gemeente Noordwijk, hebben vernomen dat niet een delegatie uit de straat, maar [belanghebbende] zelf met de burgemeester heeft gesproken over [verzoekers] c.s. en tevens dat [belanghebbende] negatieve uitlatingen c.q. onwaarheden over [verzoekers] c.s. heeft verkondigd aan [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Deze uitlatingen van [belanghebbende] zijn tekortkomingen van [belanghebbende] in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst die (mogelijk) ontbinding daarvan rechtvaardigen. [verzoekers] c.s. wensen vast te stellen welke uitlatingen [belanghebbende] over [verzoekers] c.s. heeft gedaan jegens [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] .
2.3.
[belanghebbende] heeft bij brief van 31 maart 2026 verzocht om dit verzoek af te wijzen.

3.De beoordeling

3.1.
Bij de beoordeling van het verzoek van [verzoekers] c.s. tot het horen van drie nadere getuigen stelt de rechter-commissaris voorop dat voldoende duidelijk moet zijn op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben. [1]
3.2.
In het verzoekschrift van 11 augustus 2022 hebben [verzoekers] c.s. gesteld dat het getuigenverhoor als doel heeft het verkrijgen van inzicht in het bestaan en de omvang van de handelingen en tekortkomingen van de punten I t/m IV:
I. onrechtmatige handelingen van [belanghebbende] , niet zijnde smadelijke c.q. lasterlijke uitlatingen, van vóór het afsluiten van de Vaststellingsovereenkomst,
II. onrechtmatige handelingen van [belanghebbende] , niet zijnde smadelijke c.q. lasterlijke uitlatingen, van na het afsluiten van de Vaststellingsovereenkomst,
III. onrechtmatige handelingen van [belanghebbende] in de vorm van smadelijke c.q. lasterlijke uitlatingen van na het afsluiten van de Vaststellingsovereenkomst,
IV. tekortkomingen in de nakoming van de Vaststellingsovereenkomst door [belanghebbende] die (mogelijk) ontbinding daarvan rechtvaardigen.
[verzoekers] c.s. hebben deze onderscheiden handelingen en tekortkomingen in het verzoekschrift toegelicht.
3.3.
Bij beschikking van 26 januari 2023 heeft de rechtbank Den Haag het verzoek van [verzoekers] c.s. tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toegewezen, met dien verstande dat dit enkel de punten II, III en IV zal betreffen.
3.4.
Het hof heeft in zijn beschikking van 22 juli 2025 vastgesteld wat de reikwijdte is van de beschikking van de rechtbank van 26 januari 2023, oftewel: op welk feitelijk gebeuren het verhoor in de onderhavige procedure betrekking heeft. Het hof overwoog:
5.5
[verzoekers] c.s. hebben de onderscheiden onderdelen II t/m IV in hun inleidende verzoekschrift toegelicht.
5.6
Deze toelichting bij onderdeel II houdt, samengevat, het volgende in. Meerdere personen houden zich zonder reden op ter hoogte van de achtertuin van [verzoekers] c.s. en maken foto’s van [verzoekers] c.s. Het betreft [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , allen vrienden c.q. klanten van [belanghebbende] . [verzoekers] c.s. constateren dat meerdere personen hun leven verstoren door zich zonder reden op te houden bij hun woning en door foto’s te maken van hun woning en hun gezin. Twee van deze personen hebben uitgesproken dat zij dit namens [belanghebbende] doen, de andere personen zijn vrienden en/of cliënten van [belanghebbende] . Voor [verzoekers] c.s. is het nog niet duidelijk op welke wijze [belanghebbende] deze personen heeft geïnstrueerd, maar zij menen dat het instrueren om een privéwoning en gezin in de gaten te houden en foto’s te maken hun woongenot verstoort en een inbreuk van het recht op eerbiediging van hun privéleven oplevert. Zij willen de betrokken personen oproepen als getuigen om een volledig beeld te krijgen van deze instructies en om de omvang van de inbreuk te achterhalen.
5.7.
De toelichting van [verzoekers] c.s. bij onderdeel III betreft, samengevat, het volgende. [verzoekers] c.s. stonden als nummer twee en vier op de kieslijst van een lokale partij. [verzoeker 1] is benaderd door de lijsttrekker, [naam 5] , met de mededeling dat een van de partijgenoten was benaderd door [belanghebbende] , die allerlei beschuldigingen over [verzoekers] c.s. zou hebben geuit bij [naam 6] , nummer vijf van de kieslijst. [verzoekers] c.s. zouden zich schuldig hebben gemaakt aan intimidatie, vernieling en bedreiging. Bovendien zou [verzoeker 1] met iedereen in de buurt in de clinch liggen. [naam 6] wilde niet langer geassocieerd worden met [verzoeker 1] en [verzoekers] c.s. hebben geen functie als commissie- of gemeenteraadslid gekregen. Daarnaast blijkt uit de, anders niet te verklaren, bereidwilligheid van de personen om het huis van [verzoekers] c.s. in de gaten te houden en foto’s te nemen dat zij een bepaald negatief beeld van [verzoekers] c.s. moeten hebben.
5.8.
Door zich ook na het afsluiten van de Vaststellingsovereenkomst negatief uit te laten over [verzoekers] c.s. (zie hiervoor onder III) is [belanghebbende] mogelijk tekortgeschoten in de verplichting in de Vaststellingsovereenkomst onder 6, aldus kort weergegeven de toelichting bij onderdeel IV.
5.9.
Het hof beschouwt de hiervoor samengevat weergegeven toelichtingen bij de onderdelen II t/m IV als het feitelijke gebeuren waarop het door [verzoekers] c.s. verlangde getuigenverhoor betrekking zal hebben. De omschrijvingen II t/m IV die hiervóór onder 4.1 zijn weergegeven, moeten dan ook tegen deze achtergrond worden gelezen. In het verlengde hiervan geldt dat de toewijzing door de rechtbank van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor eveneens in die zin moet worden uitgelegd. (…)
3.5.
[verzoekers] c.s. wensen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] als getuigen te horen over de negatieve uitlatingen c.q. onwaarheden die [belanghebbende] zou hebben verkondigd aan [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , zoals hiervoor in paragraaf 2.2 uiteengezet. Toewijzing van dit verzoek is in dit voorlopig getuigenverhoor alleen mogelijk als het ziet op het ‘feitelijk gebeuren’ waarvoor dit voorlopig getuigenverhoor is toegestaan en dat door het hof is samengevat onder 5.5 tot en met 5.9 van zijn beschikking.
3.6.
Het ‘feitelijk gebeuren’ zoals door het hof samengevat, zag op het verstoren van het privéleven van [verzoekers] c.s. doordat personen zich ophielden bij de achtertuin van [verzoekers] c.s. en foto’s van hen maakten, alsmede op de negatieve uitlatingen c.q. beschuldigingen waardoor [verzoekers] c.s. geen functie als commissie- of gemeenteraadslid hebben gekregen. De in het onderhavige verzoek genoemde kwestie gaat over andere feiten, namelijk om (vermeend) contact met de gemeente na een incident in de woning van [verzoekers] c.s. De in het verzoek genoemde feiten zijn bovendien van een veel latere datum (na maart 2024) dan het ‘feitelijk gebeuren’ dat het hof heeft genoemd.
3.7.
De rechter-commissaris komt daarom tot het oordeel dat de (vermeende) uitlatingen van [belanghebbende] aan [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] buiten het ‘feitelijk gebeuren’ vallen zoals door het hof samengevat. Daarmee vallen deze gebeutenissen niet binnen de reikwijdte van het voorlopig getuigenverhoor dat in deze procedure aan de orde is.
3.8.
Gelet op het bovenstaande zal het verzoek tot het horen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] worden afgewezen en het voorlopig getuigenverhoor worden gesloten.

4.De beslissing

De rechter-commissaris:
4.1.
wijst het verzoek van [verzoekers] c.s. tot voortzetting van het voorlopig getuigenverhoor af;
4.2.
sluit het voorlopig getuigenverhoor.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Boogers en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.

Voetnoten

1.HR 19 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0878,