ECLI:NL:RBDHA:2026:18697
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening na ongegrondverklaring beroep verblijfsvergunning asiel
Verzoeker, van Nigeriaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie stelde deze aanvraag op 5 februari 2026 buiten behandeling. Verzoeker stelde hiertegen beroep in en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
Op 3 juli 2026 vond de zitting plaats waarbij zowel verzoeker, zijn gemachtigde, als de gemachtigde van de minister aanwezig waren, evenals een tolk. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep.
De rechtbank heeft bij uitspraak van dezelfde dag het beroep ongegrond verklaard, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. De voorzieningenrechter wees daarom het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen na ongegrondverklaring van het beroep tegen de buiten behandeling stelling van de asielaanvraag.