ECLI:NL:RBDHA:2026:18691
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet
Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, is sinds oktober 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot het sluiten van het onderzoek bevestigd. De beoordeling richt zich daarom op de periode daarna. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend en onzorgvuldig handelde, omdat na de verzwaarde belangenafweging van 24 april 2026 geen recente afweging is gemaakt, terwijl de bewaring inmiddels ruim acht maanden duurt.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet verplicht is om bij elk vervolgberoep een nieuwe verzwaarde belangenafweging te maken en dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, onder meer door rappelleren bij de Nigeriaanse autoriteiten en het voeren van een vertrekgesprek met eiser. Daarnaast weegt het belang van de minister bij voortzetting van de maatregel zwaarder dan het belang van eiser, mede omdat eiser geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit en terugkeer.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.