ECLI:NL:RBDHA:2026:18642

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
09/201580-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77c SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m SrArt. 77n Sr
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging en wapenbezit met toepassing jeugdstrafrecht

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van bedreiging met een vuurwapen gericht op het slachtoffer en twee omstanders, en voor het bezit van meerdere wapens en munitie. Het incident vond plaats op 30 maart 2025, waarbij verdachte samen met een ander het slachtoffer confronteerde en een vuurwapen richtte, terwijl twee omstanders getuige waren en ook bedreigd werden.

De verklaringen van twee omstanders werden als betrouwbaar en consistent beoordeeld, terwijl de verdachte wisselende en ongeloofwaardige verklaringen gaf. De rechtbank concludeerde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op bedreiging van omstanders aanvaardde en dat sprake was van medeplegen.

Verdachte was meerderjarig maar jonger dan 23 jaar, waardoor toepassing van het jeugdstrafrecht passend werd geacht. Gelet op de ernst van de feiten, het bezit van wapens en munitie, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, legde de rechtbank een jeugddetentie van 55 dagen op, waarvan 40 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en een werkstraf van 50 uur.

De straf weerspiegelt de ernst van het geweldsdelict en het risico voor de samenleving, maar houdt ook rekening met het toekomstperspectief van verdachte en de mogelijkheid tot pedagogische beïnvloeding. De opgelegde voorwaarden omvatten meldplicht, ambulante behandeling en middelencontrole onder toezicht van de reclassering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 55 dagen jeugddetentie (waarvan 40 voorwaardelijk) en 50 uur werkstraf wegens medeplegen bedreiging en wapenbezit.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/201580-25
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Sleeswijk Visser, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.F. Deen, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- [omstander 1] en/of
- [omstander 2] en/of
- [slachtoffer]
heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op of aan die [slachtoffer] en/of die [omstander 1] en/of die [omstander 2] te richten en/of te tonen en/of daarbij de woorden te zeggen: 'Schiet, schiet!'
2
hij op of omstreeks 2 juli 2025 te Rijswijk een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een alarmpistool (fabrikant: Bruni SRL, merk: BBM, model: 92, kaliber: 8mm knal)
en/of
drie, althans een of meerdere, wapen(s) van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- drie, althans een of meerdere (omgebouwde) alarmrevolvers (fabrikant: Bruni SRL, merk: BBM, model: Olympic 38, kaliber: .22LR (Long Rifle))
en/of
munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- 8 stuks knalmunitie (merk: G.F.L., kaliber: 8 mm knal) en/of
- 4 stuks pistoolmunitie (merk: Sellier & Bellot, kaliber: 9 mm kort) en/of
- 1 stuk pistoolmunitie (merk: Sllier & Bellot, kaliber 7.65 mm)
voorhanden heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 2 juli 2025 te Rijswijk een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten een gasbusje (pepperspray), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en zich ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De rechtbank zal voor de feiten 2 en 3 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw voor deze feiten geen vrijspraak bepleit.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1
Inleiding
Twee personen – [omstander 1] en [omstander 2] (hierna: de zussen) – hebben verklaard dat zij op 30 maart 2025 op straat in Den Haag met een bedreigende situatie zijn geconfronteerd. Zij stellen te hebben gezien dat een man door een persoon werd achtervolgd, dat deze persoon een vuurwapen vasthield en dat deze persoon het vuurwapen op de man richtte. Tegelijkertijd zou een ander persoon van een afstand
“schiet, schiet!”hebben geroepen. De achtervolgde man wist uiteindelijk te ontkomen en bleek later [slachtoffer] te zijn. De verdachte wordt verweten bij dit incident betrokken te zijn geweest en zich daarmee aan bedreiging van de zussen en [slachtoffer] schuldig te hebben gemaakt.
Verklaring verdachte
De verdachte heeft ter terechtzitting het volgende over zijn betrokkenheid bij het incident verklaard. Hij heeft [slachtoffer] opgezocht samen met een vriend, om [slachtoffer] te confronteren over een gestolen creditcard. [slachtoffer] is bij de verdachte en de vriend in de auto gestapt. Na een korte rit is [slachtoffer] uitgestapt, waarop de vriend van de verdachte plots besloot [slachtoffer] te lijf te gaan en achterna te rennen. De verdachte zou niet hebben gezien wat er vervolgens tussen de twee is gebeurd, omdat het donker was en hij in de auto bleef zitten. De vriend van de verdachte stapte uiteindelijk weer de auto in en zij zijn daarna weggereden. Op geen enkel moment zou de verdachte een vuurwapen hebben gezien of hebben gehoord dat er
“schiet, schiet!”was geroepen.
Betrouwbaarheid verklaringen over de rol van de verdachte
De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de zussen over het schietdreigement. Hun verklaringen bevatten geen tegenstrijdigheden of onduidelijkheden die de betrouwbaarheid aantasten en komen authentiek over. De zussen hebben juist op drie momenten in essentie hetzelfde verklaard: op de avond van het incident bij zowel de 112-meldcentrale als bij een verbalisant ter plaatse en enkele dagen later bij een getuigenverhoor. Telkens hebben zij dus op hoofdlijnen consistent en gedetailleerd verklaard. Hun specifieke en gedetailleerde waarnemingen blijken bijvoorbeeld ook uit het gegeven dat zij het automerk en -model hebben genoemd waarin de verdachte met zijn vriend reed, hetgeen aan de hand van politieonderzoek kon worden geverifieerd.
Dat de verklaringen van de zussen niet overeen zouden komen met de beelden, zoals door de verdediging betoogd, is niet juist, nu het incident zich buiten het zicht van de camera heeft voorgedaan. Op de beelden is immers slechts te zien hoe uiteindelijk één van de zussen en het slachtoffer de tandartspraktijk in rennen. Deze beelden tasten de betrouwbaarheid van de verklaringen van de zussen in die zin niet aan. Kortom, de rechtbank vindt de verklaringen van de twee zussen betrouwbaar en geloofwaardig.
Vaststellingen door de rechtbank
Uit de verklaringen van de zussen volgt dat één persoon een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op [slachtoffer] heeft gericht. Dat daarvan sprake is geweest, blijkt uit de verklaringen van beide zussen en wordt ondersteund door hun geëmotioneerde toestand naar aanleiding van het incident, waarbij een van de zussen afscheid heeft genomen van haar familie omdat zij vreesde het er niet levend vanaf te zullen brengen. Ook wordt dit ondersteund door de gedragingen van [slachtoffer] kort na het incident. Hij wilde hen geruststellen door (onder andere) aan te tonen dat hij geen vuurwapen bij zich had en deed daarbij zijn t-shirt omhoog (“mevrouw doe rustig, ik heb niets bij me”). De rechtbank stelt verder vast dat gehoord is dat een andere persoon
“schiet, schiet!”heeft geroepen.
Deze gedragingen van de twee betrokken personen (de verdachte en de medeverdachte) zijn zo zeer op het (mogelijk) toepassen van vuurwapengeweld gericht, dat het niet anders kan zijn dan dat beide personen ervan op de hoogte moeten zijn geweest dat ter plaatse een bedreiging met een vuurwapen plaatsvond. De rechtbank kan uit het dossier niet afleiden wie van deze twee personen de verdachte moet zijn geweest, maar aan de hand van (in de telefoon van de verdachte aangetroffen) chatgesprekken en van zijn eigen verklaring ter zitting kan wel worden vastgesteld dat hij met slechts één ander persoon [slachtoffer] heeft geconfronteerd. Dat betekent dat de verdachte één van die twee personen moet zijn geweest en dat hij dus weet had van het vuurwapendreigement.
De rechtbank vindt de verklaringen van de verdachte ongeloofwaardig. De verdachte heeft steeds wisselende verklaringen over zijn betrokkenheid bij het incident heeft afgelegd. In eerste instantie heeft de verdachte – zowel tegenover de politie als tegenover de rechter-commissaris – stellig ontkend dat hij op wat voor manier dan ook bij het incident betrokken was geweest. Pas bij de behandeling ter terechtzitting heeft de verdachte – na kennisneming van het volledige dossier – een verklaring afgelegd die er samengevat op neerkomt dat hij toch wel bij de situatie ter plaatse was, dat hij een afspraak had gemaakt met [slachtoffer] om hem te confronteren en dat een vriend van hem mee ging om er voor te zorgen dat de verdachte rustig zou blijven, dat die vriend onverwachts uit de auto stapte en achter [slachtoffer] aan ging en dat hij, verdachte, verder niet bij de vermeende bedreiging betrokken is geweest. De verdachte schuift met zijn verklaring in feite alle schuld van zich af en legt deze bij een vriend van hem. De verdachte is op de terechtzitting om concrete, verifieerbare gegevens van deze vriend verzocht en gevraagd waarom hij eerst heeft volgehouden dat hij helemaal niet bij het incident betrokken was geweest, maar daarop antwoordde de verdachte dat hij alleen over zichzelf wil verklaren en dat hij door de algehele situatie bang was. Al met al stelt de rechtbank vast dat de verdachte in een laat stadium zijn proceshouding heeft gewijzigd en hierbij met een alternatief scenario is gekomen dat – gelet op de minimale informatie die hij heeft gegeven – niet verifieerbaar is. Gelet hierop schuift de rechtbank de verklaring van de verdachte als onaannemelijk terzijde.
Bedreiging [slachtoffer]
Het onder schot houden van [slachtoffer] en vervolgens
“schiet, schiet!”roepen is zo zeer op het (mogelijk) toepassen van vuurwapengeweld gericht, dat voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat bij [slachtoffer] redelijkerwijs de vrees kon ontstaan dat hij elk volgend moment (dodelijk) door kogels zou kunnen worden getroffen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer].
Bedreiging zussen
Uit het dossier leidt de rechtbank af dat de bedreiging (direct) tegen [slachtoffer] was gericht. Dit staat er echter niet aan in de weg dat ook van bedreiging van omstanders sprake kan zijn geweest. Voor de beoordeling hiervan is in dit geval van belang of de verdachte onder de gegeven omstandigheden heeft moeten weten dat door zijn handelen bij de zussen redelijkerwijs de vrees voor vuurwapengeweld kon ontstaan en dat hij aldus bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich ook aan bedreiging van de zussen schuldig heeft gemaakt. Door op straat een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op een ander te richten, dan wel door daarbij
“schiet, schiet!”te roepen, terwijl twee personen in de directe nabijheid aanwezig zijn, aanvaardt men naar algemene ervaringsregels bewust de aanmerkelijke kans dat omstanders van deze handelingen getuige zijn en daarmee redelijkerwijs vrees kunnen worden aangejaagd dat ook zij slachtoffer kunnen worden van vuurwapengeweld.
Medeplegen
De rechtbank leidt uit het dossier af dat de verdachte samen met een ander bewust de confrontatie met [slachtoffer] heeft opgezocht en dat deze confrontatie uiteindelijk tot een vuurwapendreigement op straat is uitgelopen. Zowel de verdachte als deze persoon hebben, zoals eerder vastgesteld, welbewust een bijdrage aan dit vuurwapendreigement geleverd. Het richten van een vuurwapen door de ene verdachte en het vervolgens
“schiet, schiet!”roepen door de andere verdachte hangt in het kader van het vuurwapendreigement zo zeer met elkaar samen, dat naar het oordeel van de rechtbank van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte kan worden gesproken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het handelen van de verdachte als medeplegen valt aan te merken.
Conclusie
De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van de bedreigingen van [slachtoffer] en de zussen door de verdachte bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 30 maart 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander,
- [omstander 1] en
- [omstander 2] en
- [slachtoffer]
heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten en te tonen en daarbij de woorden te zeggen: 'Schiet, schiet!'
2
hij op 2 juli 2025 te Rijswijk een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een alarmpistool (fabrikant: Bruni SRL, merk: BBM, model: 92, kaliber: 8mm knal)
en
drie wapens van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- drie omgebouwde alarmrevolvers (fabrikant: Bruni SRL, merk: BBM, model: Olympic 38, kaliber: .22LR (Long Rifle))
en
munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- 8 stuks knalmunitie (merk: G.F.L., kaliber: 8 mm knal) en
- 4 stuks pistoolmunitie (merk: Sellier & Bellot, kaliber: 9 mm kort) en
- 1 stuk pistoolmunitie (merk:
Sellier& Bellot, kaliber 7.65 mm)
voorhanden heeft gehad;
3
hij op 2 juli 2025 te Rijswijk een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen
,voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte – met toepassing van het jeugdstrafrecht – wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 55 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 40 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daarbij als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling en meewerken aan middelencontrole. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 50 uren gevorderd, te vervangen door 25 dagen hechtenis bij het niet voldoen.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit om (in geval van een veroordeling voor alle ten laste gelegde feiten) geen onvoorwaardelijke jeugddetentie aan de verdachte op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich ten eerste schuldig gemaakt aan de bedreiging van drie personen met een vuurwapen. Wegens een conflict om een gestolen creditcard heeft de verdachte met een ander [slachtoffer] opgezocht en is [slachtoffer] uiteindelijk met een vuurwapendreigement op straat ‘teruggepakt’. Naast [slachtoffer] werden hierdoor ook twee omstanders, die helemaal niets met het conflict te maken hadden, bedreigd. Uit de verklaringen van deze omstanders blijkt dat zij enorm zijn geschrokken van de plotselinge confrontatie met het vuurwapendreigement en dat er zelfs oprechte vrees was dat zij het incident niet zouden overleven.
Daarnaast heeft de verdachte meerdere wapens en bijbehorende munitie in zijn bezit gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van meerdere reclasseringsadviezen over de verdachte, waarvan het meest recente op 25 september 2025 is uitgebracht. Daarin heeft de reclassering geadviseerd om bij een veroordeling van de verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen en een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod en het meewerken aan middelencontrole. De reclassering acht toepassing van het jeugdstrafrecht in dit geval passend, omdat de verdachte nog bij zijn vader woont, financieel afhankelijk van hem is en voortzetting van de schoolgang noodzakelijk is. Daarmee zijn er nog mogelijkheden voor pedagogische beïnvloeding van de verdachte. Als risicofactoren voor recidive heeft de reclassering het psychosociaal functioneren van de verdachte en zijn sociale netwerk benoemd.
Op de terechtzitting heeft de deskundige namens de reclassering naar voren gebracht dat het contact tussen de verdachte en de reclassering goed verloopt. De verdachte heeft moeite met het meewerken aan zijn verplichte behandeling, maar houdt zich hier wel aan.
De verdachte heeft aanvullend op de terechtzitting verklaard dat hij (weer) naar school gaan niet bij hem vindt passen en zich liever bezig wil houden met werken en het opzetten van een eigen onderneming. Daarnaast heeft hij schulden, maar lukt het hem om deze maandelijks af te lossen.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
De verdachte was ten tijde van het plegen van de strafbare feiten achttien jaar oud en dus meerderjarig. De rechtbank kan echter – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit al de leeftijd van achttien jaren, maar nog niet die van drieëntwintig jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. Het jeugdstrafrecht is specifiek in het leven geroepen om rekening te houden met (de ontwikkeling van) jongeren, die pedagogisch beïnvloedbaar zijn. In dit geval acht de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor over de persoon van de verdachte aan bod is gekomen, toepassing van het jeugdstrafrecht aangewezen. De rechtbank zal dan ook bij de strafbepaling het jeugdstrafrecht toepassen.
LOVS-oriëntatiepunten
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS). Daarin zijn (onder het jeugdstrafrecht) als uitgangspunten vermeld bij bedreiging met een (nep)vuurwapen een taakstraf van 120 uren of dienovereenkomstige jeugddetentie, bij het bezit van een vuurwapen een jeugddetentie van zes weken, bij het bezit van een nepvuurwapen een taakstraf van dertig uren of dienovereenkomstige jeugddetentie en bij het bezit van een busje met schadelijk gas een taakstraf van twintig uren. In dit geval heeft de verdachte één alarmpistool, drie (omgebouwde) werkende vuurwapens, bijbehorende munitie en één busje pepperspray in zijn bezit gehad. Verder acht de rechtbank strafverzwarend dat er bij de bedreiging sprake is geweest van medeplegen, dat het gebeurde zich heeft afgespeeld op de openbare weg en dat willekeurige omstanders hiervan slachtoffer zijn geworden.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf, te weten een jeugddetentie van 55 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 40 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de officier van justitie geëist, en daarnaast een werkstraf van 50 uren, passend en geboden. Effectief komt deze straf erop neer dat de verdachte een werkstraf van 50 uur zal moeten uitvoeren en dat hem twee jaar lang een jeugddetentie van 40 dagen boven het hoofd zal hangen. De rechtbank acht een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
De rechtbank merkt tot slot op dat de ernst van de gepleegde feiten ook een hogere werkstraf kunnen rechtvaardigen, maar voor het toekomstperspectief van de verdachte is ook van belang dat hij voldoende tijd en energie behoudt om met zijn werk en verplichte behandeling aan de slag te gaan. De rechtbank kiest er daarom voor om een lagere werkstraf dan gebruikelijk op te leggen.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 77 c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 285 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermaals gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, met uitzondering van onderdeel 2º of onderdeel 7º;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
55 (VIJFENVIJFTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (de rechtbank gaat uit van 15 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
40 (veertig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Meldplicht
- zich gedurende de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor, aan het adres Johanna Westerdijkplein 40, 2521 EN Den Haag, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

Ambulante behandeling

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van Ambulant Centrum Fivoor, Humanitas Homerun, Youz, De Waag of een soortgelijke zorginstelling te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;
Meewerken aan middelencontrole
- gedurende de proeftijd meewerkt aan middelencontroles om zicht te krijgen op het gebruik van alcohol en drugs. De reclassering bepaalt hoe (vaak) betrokkene wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
50 (VIJFTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
25 (VIJFENTWINTIG) DAGEN;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, voorzitter,
mr. R. Wieringa, rechter,
mr. M.M.C. Limbeek, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.