ECLI:NL:RBDHA:2026:1864

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
NL26.5293
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing onrechtmatige maatregel van bewaring en toekenning schadevergoeding in vreemdelingenrecht

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, is op 19 juni 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank had eerder vastgesteld dat de maatregel tot 24 december 2025 rechtmatig was.

Eiser stelde dat geen kenbare verzwaarde belangenafweging was gemaakt voor het voortduren van de bewaring na zes maanden. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet had voldaan aan de vereiste kenbare en toetsbare belangenafweging zoals voorgeschreven in het model M120 en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, oordeelde dat de maatregel vanaf 24 december 2025 onrechtmatig was en beval onmiddellijke opheffing. Tevens werd een schadevergoeding van €5.160 toegekend voor 43 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. De proceskosten van €934 werden eveneens aan verweerder opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens onrechtmatigheid en eiser ontvangt een schadevergoeding van €5.160.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5293

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 19 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 4 februari 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1996 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de meest recente uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 24 december 2025, rechtmatig was. [1]
4. Eiser voert aan dat geen kenbare verzwaarde belangenafweging is uitgevoerd en dat daarom de voortduring van de inbewaringstelling onrechtmatig is.
5. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt. Uit het beleid van verweerder volgt dat bij een inbewaringstelling van langer dan zes maanden, de periode van inbewaringstelling wordt betrokken bij een kenbare belangenafweging, die door de Dienst Terugkeer en Vertrek in het model M120 wordt gemaakt. [2] Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient de gemaakte verzwaarde belangenafweging kenbaar en toetsbaar te zijn. [3] De rechtbank stelt vast dat eiser op 19 juni 2025 in bewaring gesteld, waardoor hij langer dan zes maanden in een detentiecentrum verblijft. Ook wordt vastgesteld dat uit het model M120 met ondertekendatum 2 februari 2026 niet blijkt dat een verzwaarde belangenafweging is gemaakt. Verweerder heeft onder het kopje 10a van het model M120 alleen in algemene zin overwogen dat de termijn van zes maanden kan worden overschreden omdat het belang van verweerder bij verwijdering van eiser aanmerkelijke groter is dan in het algemeen het geval is. Verweerder heeft echter nagelaten een concrete, verzwaarde belangenafweging te maken. Eveneens is geen kenbare verzwaarde belangenafweging gemaakt in het verlengingsbesluit van 15 december 2025. Eiser is als gevolg van dit gebrek in zijn belangen geschaad.
6. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf de te toetsen periode – 24 december 2025 – onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met onmiddellijke ingang.
7. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 43 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel. De schadevergoeding bedraagt 43 x € 120 (verblijf detentiecentrum) = € 5.160.
8. Omdat de maatregel van bewaring onrechtmatig is vanaf de te toetsen periode en vanaf dat moment een schadevergoeding wordt toegekend, behoeven de overige beroepsgronden van eiser geen bespreking.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag wordt opgeheven;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 5.160, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan op 4 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Met het kenmerk ECLI:NL:RBDHA:2025:25550.
2.Paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2831.