ECLI:NL:RBDHA:2026:18638

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
09/082992-26
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 157 SrArt. 350 SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor vernieling en brandstichting in portiekflat met levensgevaar

Op 6 augustus 2025 is in een portiekflat te Den Haag brand gesticht door de verdachte, die zich toegang verschaft had door een ruit te verbreken met een stoeptegel. De brand veroorzaakte levensgevaar voor bewoners en schade aan meerdere woningen.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van bewoners, forensisch onderzoek en een DNA-spoor op de stoeptegel dat met grote waarschijnlijkheid van de verdachte afkomstig was. De verdediging voerde een alternatieve verklaring aan, die door de rechtbank niet aannemelijk werd geacht.

De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht en vernieling heeft gepleegd. Gelet op de ernst van de feiten, het levensgevaar en het strafblad van de verdachte, werd een gevangenisstraf van dertig maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest.

De benadeelde partijen vorderden schadevergoeding, waarvan de rechtbank een deel toewijst voor immateriële schade, vastgesteld op € 2.000,- per partij, met wettelijke rente. Materiële schade werd niet toegewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De verdachte is veroordeeld tot betaling van deze bedragen aan de Staat, met gijzeling als dwangmiddel bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf voor vernieling en brandstichting met levensgevaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/082992-26
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 17 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.R.C. Polderman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. K. Kuster naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht in/bij een woning gelegen aan de [adres] , door
- een ruit van het portiek te verbreken en/of
- een brandversnellende vloeistof en/of middelen aan te steken en/of met open vuur in aanraking te brengen, bij de voordeur van voornoemde woning en/of terwijl daarvan
i. gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten
- de voordeur van betreffende woning en/of
- een schoenenkast en/of
- tegels en/of de vloer van het appartementencomplex en/of
- vloer en/of deuren en/of muren van een bovengelegen woning
te duchten was en/of
ii. levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van voornoemde woning en/of aanwezigen in naastgelegen woningen te duchten was;
2
hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Staedion en/of bewoners van [straatnaam] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
Voor zover nodig zal de rechtbank hierna ingaan op de door de raadsvrouw gevoerde verweren.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
In de vroege ochtend van 6 augustus 2025 heeft een woningbrand plaatsgevonden aan de [adres] in Den Haag (hierna: de woning). Onderzoek van de politie naar deze brand heeft uiteindelijk tot het vermoeden geleid dat de brand door de verdachte is gesticht.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of kan worden bewezen dat de brand is aangestoken en – zo ja – of de verdachte hiervoor verantwoordelijk is geweest.
Is de brand opzettelijk aangestoken?
Over het ontstaan van de brand bij de woning leidt de rechtbank het volgende uit het dossier af. Eén van de bewoners en een buur hebben verklaard dat zij ’s nachts plots het geluid van glasgerinkel en voetstappen hoorden en dat kort daarna bleek dat er brand in de portiekflat was uitgebroken. Uit het hierop volgende onderzoek van de politie en het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) kan worden vastgesteld dat 1) het glas van de centrale portiekdeur verbroken was, 2) in het portiek een stoeptegel met daaromheen glasscherven lag, 3) buiten een stoeptegel nabij de portiekdeur ontbrak, 4) de in het portiek aangetroffen stoeptegel op de buitengelegen stoeptegels leek, 5) de brand bij de voordeur van de woning is ontstaan en 6) in dit ontstaansgebied brandversnellende stoffen zijn aangetroffen. Gelet op al deze omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat de brand opzettelijk is aangestoken en dat hiervoor de toegang tot de portiekflat is verschaft door met een nabijgelegen stoeptegel het glas van de centrale portiekdeur te verbreken.
Heeft de verdachte de brand gesticht?
De Forensische Opsporing van de politie heeft de stoeptegel bemonsterd op de logische, mogelijke aanraakplekken bij het oppakken van die stoeptegel, namelijk aan de ribben en randen. Het monster is door het NFI op de aanwezigheid van DNA-materiaal onderzocht. Het NFI heeft een DNA-mengprofiel aangetroffen dat van minimaal twee personen afkomstig is. Geconcludeerd wordt dat het meer dan één miljard keer waarschijnlijker is als het DNA-mengprofiel van de verdachte, van wie een relatief grote hoeveelheid DNA is aangetroffen, en een willekeurige onbekende persoon afkomstig is dan van twee willekeurige onbekende personen.
De verdediging heeft over dit DNA-spoor ter zitting aangevoerd dat het op de stoeptegel terecht kan zijn gekomen, doordat de verdachte tijdens de afgelopen nieuwjaarsnacht bij ongeregeldheden op of nabij de [straatnaam] betrokken is geweest en hierbij met stoeptegels heeft gegooid.
De rechtbank beoordeelt het verweer als volgt.
De verdachte heeft tijdens zijn politieverhoor en ook later bij de rechter-commissaris geen concrete verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op de stoeptegel. Integendeel, de verdachte heeft verklaard niet te weten hoe zijn DNA daarop is terechtgekomen. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, leidt de rechtbank uit de enkele opmerkingen die de verdachte tijdens zijn politieverhoor heeft gemaakt over “rellende jongeren” niet af dat de verdachte toen al een concrete verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op de stoeptegel. Die opmerkingen hadden bovendien een lacherig karakter en zijn destijds door hemzelf bestempeld als een grap. De rechtbank constateert dan ook dat de verdachte pas in een laat stadium van het strafproces, namelijk ter terechtzitting, heeft verklaard over het gooien van stoeptegels tijdens rellen, nadat het onderzoek was afgerond en de verdachte kennis had kunnen nemen van het volledige procesdossier. Deze omstandigheid draagt niet bij aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring. Daar komt nog bij dat de verklaring van de verdachte uitsluitend berust op een vermoeden van zijn kant. Hij heeft geen concrete feiten of omstandigheden genoemd waaruit volgt dat hij daadwerkelijk de betreffende stoeptegel heeft vastgepakt. Ook aanwijzingen dat de verdachte daadwerkelijk aanwezig was bij de rellen van die nieuwjaarsnacht ontbreken. Het scenario van de verdachte vindt aldus geen steun in het dossier en biedt geen aannemelijke, concrete en verifieerbare verklaring voor de aanwezigheid van zijn DNA op juist deze stoeptegel.
Gelet op de bewijskracht van het DNA-spoor, de vindplaats daarvan op de stoeptegel, het ontbreken van een aannemelijke alternatieve verklaring voor dit spoor en de samenhang tussen de vernieling en de daaropvolgende brandstichting, beschouwt de rechtbank het DNA-spoor van de verdachte als daderspoor.
De rechtbank betrekt in haar oordeel ook dat uit het dossier blijkt dat de verdachte in het verleden betrokken is geweest bij een incident met de zoon van de bewoners van de woning waar de brand is gesticht. Hoewel deze omstandigheid op zichzelf niet redengevend is voor daderschap, vormt deze in samenhang met de overige bewijsmiddelen een aanwijzing dat de getroffen woning voor de verdachte geen willekeurig doelwit was.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het de verdachte is geweest die het glas van de centrale portiekdeur heeft verbroken en vervolgens de brand bij de woning heeft gesticht.
Voorwaardelijk verzoek verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de vader van de verdachte als getuige te horen, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde komt. Volgens de raadsvrouw kan de vader als alibi dienen ter ondersteuning van het scenario dat de verdachte ten tijde van de brandstichting thuis was en de brand dus niet kan hebben gesticht. De rechtbank wijst dit (voorwaardelijke) verzoek af, omdat de rechtbank de noodzaak van het horen van de vader niet is gebleken. De rechtbank overweegt in dit verband dat niet is gesteld of gebleken dat de vader op elk moment gedurende de betreffende nacht (waaronder het moment van de brandstichting) op de hoogte was van waar de verdachte zich bevond. Mede gelet op de inhoud van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, acht zij zich in het kader van de volledigheid van het onderzoek dan ook voldoende ingelicht.
Gevaarzetting door de brand
Uit het forensisch onderzoek van de politie is gebleken dat door de brand zowel een gemeen gevaar voor goederen als levensgevaar is ontstaan. Van een gemeen gevaar voor goederen was sprake doordat de brand al was doorgeslagen door de deur van de woning en hierdoor de schoenenkast in de woning vlam had kunnen vatten en doordat door hitte en vuur schade aan de tegels en de vloer van de portiekflat had kunnen ontstaan. Daarnaast blijkt uit de aangifte van een bovenbuurvrouw van de woning dat ook haar woning door de brand schade heeft opgelopen. Het levensgevaar volgt uit de omstandigheden dat meerdere bewoners in de portiekflat aanwezig waren, dat de brand zich op de vluchtroute van personen bevond, dat door de brand giftige rookgassen waren ontstaan, dat de brandweer de brand heeft moeten blussen en ramen heeft moeten verbreken om de rookgassen uit het pand te krijgen en dat meerdere bewoners door de brandweer moesten worden geholpen om de portiekflat te verlaten.
Conclusie
De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat de verdachte de onder 1 ten laste gelegde brandstichting en onder 2 ten laste gelegde vernieling heeft gepleegd.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 6 augustus 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht bij een woning gelegen aan de [adres] , door
- een ruit van het portiek te verbreken en
- brandversnellende middelen aan te steken bij de voordeur van voornoemde woning
,terwijl daarvan
i. gemeen gevaar voor goederen, te weten
- de voordeur van
debetreffende woning en
- een schoenenkast en
- tegels en de vloer van het appartementencomplex en
- vloer en deuren en muren van een bovengelegen woning
te duchten was en
ii. levensgevaar voor een ander, te weten de bewoners van voornoemde woning en aanwezigen in naastgelegen woningen
,te duchten was;
2
hij op 6 augustus 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een ruit die aan een ander, te weten Staedion, toebehoorde heeft vernield.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit om (in geval van een veroordeling) een kortere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling en brandstichting. Hij heeft zich diep in de nacht de toegang tot een portiekflat verschaft door met een stoeptegel een ruit te verbreken en heeft vervolgens aan de voordeur van een woning in die portiekflat brand gesticht. De bewoners van de portiekflat werden ’s nachts door deze brand opgeschrikt en hebben in alle haast hun woningen moeten verlaten. Sommige bewoners zaten zelfs in hun woningen opgesloten, omdat het trappenhuis door de brand onbegaanbaar was, en konden enkel door een reddingsactie van de brandweer via hun balkon in veiligheid worden gebracht. Het moge dus duidelijk zijn dat door de brand een levensgevaarlijke situatie is ontstaan en dat van geluk mag worden gesproken dat geen van de bewoners ernstig gewond is geraakt of is omgekomen. Daarnaast is door de brand aan meerdere woningen schade aangericht.
De brand heeft bij alle getroffen bewoners voor gevoelens van angst en onveiligheid gezorgd, maar in het bijzonder bij de bewoners van de woning aan de [adres] . Zij waren het doelwit van de brandstichting. Naar het lijkt, is het motief van de brandstichting gelegen in een vermeende mishandeling van de verdachte van jaren geleden, die mede door een zoon van de bewoners van de woning zou zijn gepleegd. De rechtbank acht het zeer kwalijk dat de verdachte het kennelijk een passende reactie vond om hierom een brand in een portiek te stichten – met alle mogelijke gevolgen van dien – en zo het recht in eigen handen te nemen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 11 mei 2026, waaruit onder andere blijkt dat hij in 2022 meermaals voor vernieling is veroordeeld. De rechtbank zal hier in strafverzwarende zin rekening mee houden.
De rechtbank heeft in de overige persoonlijk omstandigheden van de verdachte geen reden gezien om deze in strafverzwarende of strafmatigende zin mee te wegen.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft ter oriëntatie gekeken naar andere zaken waarin sprake is van brandstichting bij een woning en waarbij levensgevaar te duchten is. Daaruit blijkt dat hiervoor doorgaans gevangenisstraffen van meerdere jaren worden opgelegd.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van dertig maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces.
[benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 10.385,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 385,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade.
[benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 16.385,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 385,- aan materiële schade en € 16.000,- aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vorderingen voor toewijzing vatbaar zijn.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit om (in geval van vrijspraak) de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen te verklaren, dan wel (in geval van een veroordeling) de gevorderde materiële schade af te wijzen en de gevorderde immateriële schade aanzienlijk te matigen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vorderingen zijn namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partijen onvoldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld of de benadeelde partijen ten gevolge van de onder 2 bewezenverklaarde brandstichting het eigen risico voor zorgkosten hebben moeten betalen. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan deze schade slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks immateriële schade hebben geleden door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit. De benadeelde partijen waren de bewoners van de woning waarop de brandstichting was gericht en konden enkel door een reddingsactie van de brandweer de brandende portiekflat verlaten. Het psychische letsel is aannemelijk alsook voldoende onderbouwd. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de rechtbank recht op smartengeld op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek, op de grond dat er sprake is van een aantasting van de persoon op andere wijze.
Gelet op wat ter terechtzitting namens de benadeelde partijen en door de verdediging is aangevoerd, kan de schade op basis van de beschikbare gegevens niet nauwkeurig worden vastgesteld. Mede gelet op de in de Rotterdamse Schaal genoemde schadebedragen ter zake brandstichting zal de rechtbank de geleden immateriële schade voor iedere benadeelde partij naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000,-. De rechtbank merkt daarbij op dat de toe te wijzen bedragen niet strekken tot een definitieve begroting van de totale immateriële schade, maar uitsluitend zien op het gedeelte van de schade waarvan reeds voldoende aannemelijk is dat deze voor vergoeding in aanmerking komt.
Voor het overige zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen worden verklaard.
Toe te wijzen bedragen
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vorderingen toewijzen tot een bedrag van
€ 2.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2025. Deze bedragen bestaan uit immateriële schade.
Proceskosten
Nu de vorderingen gedeeltelijk worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Schadevergoedingsmaatregelen
De verdachte zal voor het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hen is toegebracht. De rechtbank zal, ten behoeve van zowel [benadeelde 1] als [benadeelde 2] , aan de verdachte telkens de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (DERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] deels toe tot een bedrag van € 2.000,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij [benadeelde 1] , begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 augustus 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald,
gijzelingzal worden toegepast voor de duur van
20 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] deels toe tot een bedrag van € 2.000,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 2] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij [benadeelde 2] , begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 augustus 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 2] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald,
gijzelingzal worden toegepast voor de duur van
20 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoedingen deels of geheel aan de benadeelde partijen heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte de toegewezen bedragen deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partijen te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.N. Mentrop-Huliselan, voorzitter,
mr. C.W. de Wit, rechter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juli 2026.