ECLI:NL:RBDHA:2026:18586

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
NL26.12155
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens gebrek aan volmacht gemachtigde in asielprocedure

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 maart 2026 waarbij zijn asielaanvraag niet in behandeling werd genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk werd geacht. De gestelde gemachtigde van eiser heeft het beroep ingediend, maar kon geen contact met eiser krijgen en gaf aan niet gemachtigd te zijn om het beroep in te trekken of te voeren.

De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of de gemachtigde bevoegd was om namens eiser op te treden. Uit het dossier bleek dat de Raad voor Rechtsbijstand de gemachtigde aan de zaak had gekoppeld, maar eiser had de gemachtigde niet gemachtigd om het beroep in te stellen en had geen contact met hem.

Daarom oordeelde de rechtbank dat de gemachtigde niet bevoegd was om het beroep in te stellen, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank heeft het beroep niet inhoudelijk beoordeeld en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige volmacht van de gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12155

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer] ,
(gestelde gemachtigde: mr. B. de Haan),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. F.C. Vosman).

Procesverloop

1. Op 3 maart 2026 (het bestreden besluit) is de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag.
2. De gestelde gemachtigde heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gestelde gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
4. De rechtbank heeft op 1 juli 2026 het onderzoek heropend en aanvullende vragen gesteld over de volmacht.
5. Op 2 juli 2026 heeft de gestelde gemachtigde hierop gereageerd.
6. Op 6 juli 2026 heeft de minister hierop gereageerd.
7. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 6 juli 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Volmacht
8. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of de gestelde gemachtigde van eiser gemachtigd is namens eiser op te treden in de beroepsprocedure. Op de zitting heeft de gestelde gemachtigde van eiser aangegeven dat hij geen contact heeft kunnen krijgen met eiser, maar dat hij niet gemachtigd is om het beroep in te trekken. In zijn aanvullende reactie van 2 juli 2026 heeft de gestelde gemachtigde laten weten dat hij zich niet als gemachtigd beschouwt om te kunnen optreden in de beroepsprocedure in verband met het ontbreken van contact van eiser.
9. Uit het dossier blijkt dat de Raad voor Rechtsbijstand de gemachtigde op 23 januari 2026 heeft gekoppeld aan de zaak van eiser. De rechtbank stelt vast dat eiser op het moment van het instellen van beroep geen contact heeft gehad met de gemachtigde en dat eiser de gemachtigde ook niet heeft gemachtigd om namens hem beroep in te stellen bij de rechtbank. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gestelde gemachtigde niet gerechtigd was om namens eiser beroep in te stellen bij de rechtbank. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.