ECLI:NL:RBDHA:2026:18579

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
09/001522-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 57 SrArt. 282 Sr
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gewapende woningoverval en bedreiging met vuurwapen

Op 12 maart 2024 pleegde de verdachte samen met een onbekende mededader een gewapende woningoverval in Rijswijk waarbij twee vrouwen werden bedreigd, vastgebonden en beroofd van contant geld, telefoons en bankpassen. De verdachte werd herkend op camerabeelden en via DNA-sporen op tape die bij de overval werd gebruikt.

De verdachte heeft bekend geld te hebben gepind met de gestolen bankpassen en is ook veroordeeld voor de diefstal van geldbedragen van de bankrekening van een slachtoffer. Daarnaast bedreigde hij op 8 november 2024 hetzelfde slachtoffer met een vuurwapen in Amsterdam. De rechtbank verwierp de verklaringen van de verdachte als ongeloofwaardig en achtte alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van zes jaar op, rekening houdend met de ernst van de feiten, de impact op de slachtoffers en het recidiverisico van de verdachte. Tevens werd een schadevergoeding van €47.930,- toegewezen aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, met een schadevergoedingsmaatregel en gijzeling bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoeding van €47.930,- aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/001522-25
Datum uitspraak: 6 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres 1] te [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting is gehouden op 22 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. van Dongen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.W. Bouwman naar voren is gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het verzoek tot schadevergoeding van [aangeefster 1], en van de nadere toelichting daarop van mr. A. Koopsen, advocaat.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de pro-formazitting van 17 december 2025. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 primair, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van de onder 1 en 2 ten laste gelegde woningoverval en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Met betrekking tot de onder 3 ten laste gelegde diefstal met een valse sleutel heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat de verdachte partieel zou moeten worden vrijgesproken voor de diefstal van de bedragen die via de Bitvavo-rekening van [aangeefster 1] zouden zijn ontvreemd. Tot slot heeft de raadsvrouw ten aanzien van de onder 4 ten laste gelegde bedreiging op 8 november 2024 in Amsterdam vrijspraak bepleit. Op nadere standpunten wordt – voor zover relevant – hierna ingegaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in
bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1 en feit 2 (de woningoverval en wederrechtelijke vrijheidsberoving)
Op 12 maart 2024 rond 02:30 uur ’s nachts zijn twee vrouwen overvallen in een door hen gehuurde woning aan de [straatnaam] in Rijswijk. Eén van de aangeefster had een afspraak gemaakt met een man via de website kinky.nl. De mannen kwamen met een bivakmuts de woning binnen en bedreigden de vrouwen met vuurwapens. De polsen en enkels van de vrouwen werden met tape vastgebonden. Ook hun mond werd afgeplakt. De overvallers hebben contant geld ad € 7.500,- en meerdere telefoons en bankpassen weggenomen.
De verdachte heeft ontkend dat hij betrokken is geweest bij deze feiten. Hij stelt wel in opdracht van een derde een rol ducttape te hebben gekocht, waarna hij urenlang tot diep in de nacht in een auto zou zijn rondgereden, onder meer onder bedreiging van een wapen. Hij zou die nacht/ochtend met de ontvreemde bankpas(sen) van de aangeefster hebben gepind, waarna hij het geld heeft afgegeven aan de onbekende persoon en naar huis is gegaan.
Betrokkenheid verdachte
De vraag is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij deze woningoverval.
De rechtbank overweegt dat [aangeefster 1] en [aangeefster 2] uitgebreid, consistent en gedetailleerd hebben verklaard over de feiten en omstandigheden tijdens de overval. Hun verklaringen komen op grote lijnen en kernpunten met elkaar overeen. Beiden geven een signalement van de overvallers, waarbij één overvaller wordt omschreven als iemand met Marokkaanse/Arabische kenmerken, met een lichte kleur huid, langer dan de aangeefsters (rond de 1.70 à 1.80 meter), grote ogen en slank van postuur.
Op de plaats delict zijn stukken van de tape gevonden die is gebruikt bij de overval. Hierop is celmateriaal aangetroffen (bemonstering AARU1495N#01), waarvan een DNA-mengprofiel is verkregen. Uit onderzoek van het Nationaal Forensisch Instituut is gebleken dat het ongeveer vier miljoen keer waarschijnlijker is dat deze bemonstering DNA bevat van de aangeefsters, de verdachte en een andere onbekend gebleven persoon, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van hoogstens één of twee van de aangeefsters en/of de verdachte, of geen van hen. Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat er in de nacht van 12 maart 2024 één telefoonnummer heeft uitgestraald op zowel het adres waar de woningoverval plaatsvond, als later op de locatie van de twee pinautomaten in Zoetermeer waar later die nacht geld is gepind met de bankpassen van aangeefster. Dat telefoonnummer is in gebruik bij een toestel met een IMEI-nummer dat als thuiszendmast, zo blijkt uit de historische telefoongegevens, de zendmast gelegen aan de [adres 2] te Zoetermeer aanstraalt. Deze zendmast staat op 450 meter afstand, en daarmee binnen het zendbereik, van het verblijfsadres van de verdachte.
Verder heeft [aangeefster 1] verklaard dat zij de ene overvaller tegen de andere overvaller heeft horen zeggen dat ze naar een pinautomaat moesten gaan om geld op te nemen. De verdachte heeft bekend dat hij in de uren na de overval met de bankpas van [aangeefster 1] geld heeft opgenomen bij twee pinautomaten in Zoetermeer.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een alternatief scenario heeft geschetst. De rechtbank overweegt dat voor de verklaring van de verdachte geen begin van aannemelijkheid bestaat. Hij heeft hier pas ter terechtzitting, zeer summier en in algemene bewoordingen over verklaard en heeft op nadere vragen geen antwoord willen of kunnen geven. Tegelijkertijd stelt hij ook weinig meer te weten over die specifieke dag, wat verder afdoet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring. De verdachte heeft geen enkele concrete aanwijzing gegeven op basis waarvan zijn verklaring te verifiëren zou kunnen zijn en deze bevinden zich ook overigens niet in het dossier. De rechtbank schuift de verklaring dan ook als onaannemelijk ter zijde.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, het niet anders kan dan dat de verdachte de overvaller is geweest die door de aangeefsters is omschreven als de Marokkaanse/Arabische man. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde woningoverval heeft gepleegd.
Medeplegen
Ook het ten laste gelegde medeplegen acht de rechtbank bewezen, nu uit de verklaringen van de aangeefsters blijkt dat de overvallers constant met elkaar overlegden. Het was de verdachte die veelal het initiatief nam, bijvoorbeeld bij het vastbinden van de aangeefsters met tape. De mededader zou het geld en twee telefoons hebben weggenomen uit een handtas van een van de aangeefsters. Hieruit volgt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededader die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van een tevoren gemaakt plan.
Wederrechtelijke vrijheidsberoving
Naast het medeplegen van diefstal met geweld is de rechtbank van oordeel dat ook wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend kan worden bewezen. De aangeefsters hebben verklaard dat de overvallers meerdere uren in de woning aanwezig waren, dat de polsen en enkels van de aangeefsters met tape waren vastgebonden en dat de overvallers een vuurwapen op hen gericht hielden. Nadat de overvallers de woning verlieten hebben zij de deur van buiten op slot gedaan. Concluderend, de aangeefsters zijn meerdere uren gedurende die nacht van hun vrijheid beroofd en beroofd gehouden in woning.
Partiële vrijspraak?
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte partieel zou moeten worden vrijgesproken van het ten laste gelegde jegens [aangeefster 2], omdat zij betrokken zou zijn geweest bij de overval. De bewijsmiddelen weerspreken de standpunten van de verdediging ten aanzien van eventuele betrokkenheid van [aangeefster 2]. De rechtbank verwerpt het verweer.
Ten aanzien van feit 3 (diefstal met een valse sleutel)
Enkele uren na de overval is met de pinpas van [aangeefster 1] een bedrag van in totaal € 8.720,- gepind bij een pinautomaat aan de [adres 3] in Zoetermeer en een bedrag van € 1.280,- bij een pinautomaat aan de [adres 4] in Zoetermeer. De verdachte heeft bekend dat hij op die locaties en die tijdstippen meerdere bedragen heeft gepind en hij is op camerabeelden herkenbaar in beeld gebracht.
Ten aanzien van de diefstal van een bedrag van € 26.001,- heeft [aangeefster 1] verklaard dat zij tijdens de woningoverval onder druk haar bankapps heeft moeten openen door middel van gezichtsherkenning en het intoetsen van een pincode. Hierna zijn meerdere geldbedragen van in totaal € 26.001,- van haar bankrekening afgeschreven. Deze verklaring wordt ondersteund door afschriften van de betaalrekening van de aangeefster. Hierop is onder meer te zien dat gedurende het tijdsbestek van de overval, meerdere geldbedragen eerst van de zakelijke rekeningen van [aangeefster 1] worden bijgeschreven op haar betaalrekening en daarna direct van die betaalrekening worden afgeschreven naar een Bitvavo-account. Nu de rechtbank bewezen acht dat de woningoverval door de verdachte (in vereniging) is gepleegd, en de diefstal van de bankrekeningen heeft plaatsgevonden ten tijde van de overval, concludeert de rechtbank dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de diefstal van de € 26.001,-.
Zoals reeds overwogen bij feiten 1 en 2 is de verklaring van de verdachte dat hij onder dwang voor een derde zou hebben moeten pinnen, op geen enkele manier aannemelijk geworden en wordt deze verklaring als zodanig door de rechtbank terzijde geschoven.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de diefstal in vereniging is gepleegd. Dit volgt uit de bewezenverklaring van de woningoverval in vereniging en wordt nog extra ondersteund door de verklaring van [aangeefster 1] waarin zij verklaart dat zij de verdachte en zijn mededader heeft horen praten over het gaan naar een pinautomaat.
Ten aanzien van feit 4 (bedreiging)
[aangeefster 1] is op 8 november 2024 opnieuw slachtoffer geworden van een misdrijf. In een woning in Amsterdam is zij in de nachtelijke uren bedreigd door een man, met wie zij een afspraak had. De aangeefster heeft verklaard dat de man, nadat zij hem omstreeks 02:37 uur had binnengelaten, een pistool tegen haar buik heeft geduwd en dat hij dreigde te schieten als zij niet luisterde. Na hevig verzet van de aangeefster is de man weggerend. De verdachte heeft ontkend dat hij de man is waar de aangeefster over heeft verklaard.
Uit het dossier volgt dat getuigen omstreeks 02:57 uur in de omgeving van de woning waar de aangeefster is bedreigd twee jongens met een vuurwapen hebben zien rennen in de richting van een stadspark. De politie heeft de verdachte kort daarna in het stadspark aangetroffen.
Verder blijkt dat de verdachte bij zijn aanhouding door de politie door een aanwezige getuige is herkend als een van de jongens met het vuurwapen en dat de aangeefster de verdachte heeft herkend van de beelden bij de pinautomaat, die naar aanleiding van de woningoverval van 12 maart 2024 zijn uitgezonden bij ‘Opsporing Verzocht’. Ook is de verdachte die nacht door de politie herkend aan de hand van een screenshot die de aangeefster voorafgaand aan de bedreiging had gemaakt van de man met wie zij chat contact had en die zij aan de politie had gestuurd. De man op de foto is degene die haar met een vuurwapen heeft bedreigd, aldus de aangeefster.
Desgevraagd heeft de verdachte verklaard dat hij die dag met een vriend naar Amsterdam was gegaan om te chillen en werd aangesproken door een groep jongens. Hij zou vervolgens zijn aangereden door een auto en is om zichzelf in veiligheid te brengen, op de politie afgestapt. Ter terechtzitting is de verdachte bij deze verklaring gebleven en heeft hij verklaard niet meer te weten hoe laat, hoelang, waarom en waar in Amsterdam hij precies is geweest die dag.
In het licht van de hierboven geschetste omstandigheden waarbij de verdachte midden in de nacht, ver weg van zijn woning in Zoetermeer, kort na de bedreiging is aangetroffen in een park en door de politie is herkend aan de hand van een foto, is deze beperkte uitleg, waar geen handen en voeten aan wordt gegeven, naar het oordeel van de rechtbank ontoereikend en onaannemelijk. De bewijsmiddelen spreken de verklaring van de verdachte tegen en zodoende gaat de rechtbank hier aan voorbij.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich op 8 november 2024 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [aangeefster 1] met een vuurwapen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 12 maart 2024 te Rijswijk, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, te weten aan de [adres 5], tezamen en in vereniging met een ander, een contant geldbedrag (van in totaal ongeveer 7.500 euro) en telefoons en bankpassen die aan [aangeefster 1] en [aangeefster 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd
doorbedreiging met geweld tegen die [aangeefster 1] en [aangeefster 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met een bivakmuts over het hoofd en een vuurwapen in de hand de woning alwaar die [aangeefster 1] en [aangeefster 2] verbleven binnen te dringen, althans te betreden en vervolgens
- een of meer vuurwapen te tonen aan en te richten op die [aangeefster 1] en [aangeefster 2] en vervolgens
- die [aangeefster 1] en [aangeefster 2] (met ducttape) aan de polsen en enkels vast te binden en de monden van die [aangeefster 1] en [aangeefster 2] (met ducttape) af te plakken en vervolgens
- die [aangeefster 2] de woorden toe te voegen: "You better tell me where the money is, you kankerlijer; Do you want to die for the money", althans woorden van gelijke dreigende of dwingende aard of strekking, en daarbij
- op zeer korte afstand een vuurwapen te richten op het gezicht/hoofd van die [aangeefster 2];
2
hij op 12 maart 2024 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk [aangeefster 1] en [aangeefster 2] wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, door
- met een bivakmuts over het hoofd en een vuurwapen in de hand de woning alwaar die [aangeefster 1] en [aangeefster 2] verbleven binnen te dringen, althans te betreden en vervolgens
- een of meer vuurwapen te tonen aan en te richten naar die [aangeefster 1] en [aangeefster 2] en vervolgens
- die [aangeefster 1] en [aangeefster 2] (met ducttape) aan de polsen en enkels vast te binden en de mond van die [aangeefster 1] en [aangeefster 2] (met ducttape) af te plannen en vervolgens
- die [aangeefster 2] de woorden toe te voegen: "You better tell me where the money is, you kankerlijer; Do you want to die for the money", althans woorden van gelijke (dreigende of dwingende) aard of strekking, en daarbij
- een vuurwapen te richten op het gezicht/hoofd van die [aangeefster 2];
3
hij op 12 maart 2024 te Zoetermeer en Rijswijk, tezamen en in vereniging met een andere geldbedragen van in totaal 8.720 euro en 1.280 euro en 26.001 euro, die aan [aangeefster 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door
- met een niet aan verdachte toebehorende bankpas en pincode aldus onbevoegd voornoemde geldbedragen te pinnen, althans op te nemen bij/uit een geldautomaat, van de bankrekening van die [aangeefster 1], en
- onbevoegd voornoemd geldbedrag (van in totaal 26.001 euro) af/over te boeken van de bankrekening en van die [aangeefster 1];
4
hij op 8 november 2024 te Amsterdam, [aangeefster 1]
heeftbedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door
- met handschoenen aan en een vuurwapen in de hand die [aangeefster 1] vast te grijpen, en
- een vuurwapen tegen de buik van die [aangeefster 1] te drukken/duwen en (daarbij)
- die [aangeefster 1] de woorden toe te voegen: "Wil je dat ik ga schieten? Ik ga schieten! Als je luistert, gaat er niks gebeuren", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van zeven jaar met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gevorderd, in de vorm van een contactverbod met aangeefster [aangeefster 1], met een week vervangende hechtenis per overtreding met een maximum van 6 maanden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij de strafmaat rekening te houden met de jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het delict en met de omstandigheid dat hij sinds 2020 niet meer onherroepelijk veroordeeld is. Daarnaast heeft de verdediging onder verwijzing naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS en diverse gerechtelijke uitspraken bepleit dat een lagere straf dan de eis van de officier van justitie passend is. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het geëiste contactverbod, met dien verstande dat deze ook als bijzondere voorwaarde zou kunnen worden opgelegd in plaats van als vrijheidsbeperkende maatregel.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich op 12 maart 2024 schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewapende woningoverval van twee vrouwen die in de veronderstelling waren dat zij die nacht klanten zouden ontvangen in het kader van sekswerk. De verdachte heeft zichzelf onherkenbaar gemaakt door een bivakmuts te dragen. De vrouwen zijn bedreigd met een vuurwapen en hun polsen en enkels zijn aan elkaar gebonden met tape. De verdachte en zijn mededader hebben de woning doorzocht en hebben contant geld, pinpassen en mobiele telefoons meegenomen. Zij hebben een van de slachtoffers gedwongen de bij de bankrekening behorende pincode af te geven, waarna op verschillende manieren geldbedragen van de bankrekening van het slachtoffer zijn opgenomen.
Later dat jaar, op 8 november 2024, is [aangeefster 1] opnieuw door de verdachte bedreigd met een vuurwapen bij een woning in Amsterdam. De verdachte duwde een pistool tegen haar buik en zei "Wil je dat ik ga schieten, ik ga schieten". [aangeefster 1] heeft zich hevig verzet, waarna de verdachte is gevlucht. Door de worsteling met de verdachte heeft het slachtoffer diverse blauwe plekken opgelopen.
De verdachte heeft ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en eigendommen van de slachtoffers. Het moet voor de slachtoffers een traumatische ervaring zijn geweest dat zij op deze wijze zijn overvallen in een woning. De ervaring leert dat slachtoffers van een woningoverval nog gedurende lange tijd de (psychisch) nadelige effecten daarvan ondervinden. Dit geldt vooral voor [aangeefster 1], die enkele maanden na de overval opnieuw door de verdachte met een vuurwapen is bedreigd in een woning in Amsterdam. Uit de toelichting van haar raadsvrouw ter terechtzitting blijkt dat zij zich sinds de overvallen angstig en bedreigd voelt, zij slecht slaapt, nachtmerries heeft, achterdochtig is en moeite heeft met dagelijkse activiteiten en op een wachtlijst staat voor traumaverwerking.
De rechtbank acht het bijzonder kwalijk dat de verdachte na de eerste woningoverval doelbewust weer hetzelfde slachtoffer heeft uitgezocht. Dat hij wederom op een voor haar veilige plek naar binnen is gegaan en haar daar ernstig heeft bedreigd en zij nogmaals doodsangsten moet hebben uitgestaan. De verdachte heeft klaarblijkelijk geen enkel moment stil gestaan bij de impact die deze gebeurtenissen op het slachtoffer moeten hebben gehad en zich alleen laten leiden door geldelijk gewin. Daarnaast heeft hij geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in 2020 is veroordeeld voor poging diefstal, verduistering, handelen in strijd met de Opiumwet en diefstal in vereniging.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 28 augustus 2025. Daaruit volgt dat sprake is van een gemiddeld tot hoog recidive risico.
Beschermende factoren zijn de goede band met de familie van de verdachte en het onderdak dat zij hem kunnen bieden. De reclassering ziet criminogene factoren in de houding van de verdachte en in zijn sociale netwerk. Daarnaast ziet de reclassering risico’s in het gebrek aan een vaste dagstructuur, financiën en aan het softdrugsgebruik van de verdachte.
Voor het geval de verdachte een gevangenisstraf van één jaar of langer opgelegd wordt, heeft de reclassering geadviseerd te zijner tijd een detentie- en re-integratieplan op te maken. In geval van een kortere gevangenisstraf heeft de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd, omdat de reclassering geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of aan gedragsverandering te werken. De verdachte heeft geen hulpvragen, zo heeft hij ook ter terechtzitting bevestigd. Er lijkt bovendien geen sprake te zijn van psychiatrische problematiek of cognitieve tekorten. Als wordt besloten tot een voorwaardelijke straf, heeft de reclassering een contactverbod met de slachtoffers en de mededader geadviseerd.
De straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en de strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Als uitgangspunt voor het plegen van een woningoverval met ander (dan licht) geweld geldt een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. In deze zaak weegt de rechtbank mee dat de verdachte met de onbekend gebleven mededader, onder valse voorwendselen de woning zijn binnengedrongen, een bivakmuts hebben gedragen, de slachtoffers continu hebben bedreigd met vuurwapens en hen met tape hebben vastgebonden aan hun polsen en enkels.
De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat de woningoverval in de nachtelijk uren heeft plaatsgevonden, dat de verdachte in vereniging heeft gehandeld en dat de overval uren heeft geduurd. Ook het gegeven dat een fors bedrag is weggenomen en dat de aangeefsters na de overval vastgebonden zijn achtergelaten in een woning die van buitenaf werd afgesloten, weegt voor de rechtbank strafverzwarend. Daarbij komt dat de verdachte enkele maanden na de woningoverval dezelfde [aangeefster 1], opnieuw in een woning heeft bedreigd met een vuurwapen. Deze bedreiging rechtvaardigt op grond van de oriëntatiepunten voor de rechtspraak op zichzelf al een gevangenisstraf van zes maanden. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat er sprake is van een eendaadse samenloop tussen de bewezenverklaarde woningoverval en de wederrechtelijke vrijheidsberoving. De rechtbank is, op grond van het verhandelde op zitting en het reclasseringsrapport, niet gebleken van strafmatigende omstandigheden.
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaar passend en geboden is, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Het door de officier van justitie gevorderde contactverbod in de vorm van een maatregel ex artikel 38v Sr wijst de rechtbank af. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van een duur die de duur van de maatregel in beginsel overstijgt. Dit maakt dat de maatschappij, maar ook de aangeefster, zijn beveiligd tegen door de verdachte eventueel te plegen strafbare feiten. Daarnaast zijn de gepleegde delicten ingegeven door financiële motieven en niet gericht op de aangeefster als persoon, waardoor niet te verwachten is dat de verdachte contact zal opnemen met de aangeefster. Dat maakt dat het opleggen van een maatregel als bedoelt in artikel 38v Sr niet in de rede ligt en de aangeefster beschermd is door het feit dat de verdachte gedetineerd zit.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 47.930,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 39.930,- aan materiële schade en € 8.000,- aan immateriële schade.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering benadeelde partij, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de gevorderde schade niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de feiten waarvan vrijspraak wordt bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw de (hoogte van de) immateriële schade betwist. Daarbij heeft zij opgemerkt dat het door de aangeefster gestelde geestelijke letsel onvoldoende is onderbouwd. De verdediging verzoekt de rechtbank daarom subsidiair de vordering te matigen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Op basis van de bewijsmiddelen en naar aanleiding van de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten van
€ 4.000,- aan contante geldbedragen, € 10.000,- aan pinopnames en € 26.001,- aan bankafschrijvingen naar een Bitvavo-account zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal de gevorderde materiële schadevergoeding daarom in zijn geheel toewijzen tot het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 39.930,-, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 12 maart 2024, zijnde de datum waarop de schade is ontstaan.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezen verklaarde feiten. De benadeelde partij heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie. Het slachtoffer is in een woning overvallen door gemaskerde mannen met vuurwapens, waarbij haar polsen en enkels met tape zijn vastgebonden. Circa zes maanden later is zij door dezelfde verdachte opnieuw bedreigd met een vuurwapen. Hiermee is sprake van een ernstige aantasting van haar persoonlijke integriteit, vrijheid en veiligheid. De aard en de ernst van de door de verdachte gepleegde normschending brengt mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat (reeds op grond daarvan) een aantasting in de persoon, als bedoeld in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b van het Burgerlijk Wetboek, kan worden aangenomen, zodat het slachtoffer recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Vervolgens is de vraag welk bedrag billijk is. Hiervoor kijkt de rechtbank naar de omstandigheden van het geval, in het bijzonder naar de aard en de ernst van de aantasting in de persoon en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de grove inbreuk op de rechten van het slachtoffer, zal de rechtbank de geleden immateriële schade vaststellen op een bedrag van € 8.000,-. Dit bedrag sluit aan bij het maximale bedrag van de ‘meeste ernstige’ categorie van een woningoverval zoals omschreven in de Rotterdamse Schaal.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering van [aangeefster 1] toewijzen tot een bedrag van € 8.000,-, bestaande uit immateriële schade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 maart 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
De verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangeefster 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 39.930,- aan materiële schade en € 8.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 maart 2024 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 217 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan de schadevergoedingen worden toegekend samen met een (onbekende) mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor naar burgerlijke recht ieder hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is. Hetzelfde geldt voor de wettelijke rente over de toegewezen schadebedragen en de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of wettelijke rente en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 47, 55, 57, 282, 285, 311 en 312 Sr.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
De eendaadse samenloop van:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
en
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;
ten aanzien van feit 3:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van feit 4:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 1] toe tot een bedrag van € 47.930,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover van 12 maart 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 1];
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op om aan de Staat te betalen een bedrag van € 47.390, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 maart 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald; ten behoeve van [aangeefster 1];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 217 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door de mededader, tevens geldt als gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.S. Verboom, voorzitter,
mr. N.F.R. de Rooij, rechter,
mr. C. Hofman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.W.I. Ostendorf, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 juli 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 12 maart 2024 te Rijswijk, in elk geval in Nederland, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, te weten aan de [adres 5], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (contant) geldbedrag (van in totaal ongeveer 7.500 euro) en/of een of meer telefoons en/of een of meer bankpassen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het
gestolene te verzekeren, door
- met een bivakmuts over het hoofd en/of een (vuur)wapen in de hand de woning (alwaar die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] verbleven) binnen te dringen, althans te betreden en/of (vervolgens)
- een of meer (vuur)wapen te tonen aan en/of te richten op die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] en/of (vervolgens)
- die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] (met ducttape) aan de polsen en/of enkels vast te binden en/of de monden van die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] (met ducttape) af te plakken en/of (vervolgens)
- die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] de woorden toe te voegen: "You better tell me where the money is, you kankerlijer; Do you want to die for the money", althans woorden van gelijke (dreigende of dwingende) aard of strekking, en/of (daarbij)
- ( op zeer korte afstand) een (vuur)wapen te richten op het gezicht/hoofd van die [aangeefster 2];
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
een of meer onbekend gebleven mededader(s) op of omstreeks 12 maart 2024 te Rijswijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (contant) geldbedrag (van in totaal ongeveer 7.500 euro) en/of een of meer telefoons en/of een of meer bankpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2], in elk geval aan een ander dan aan die onbekend gebleven mededader(s) en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door
- met een bivakmuts over het hoofd en/of een (vuur)wapen in de hand de woning (alwaar die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] verbleven) binnen te dringen, althans te betreden en/of (vervolgens)
- een of meer (vuur)wapen te tonen aan en/of te richten naar die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] en/of (vervolgens)
- die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] (met ducttape) aan de polsen en/of enkels vast te binden en/of de mond van die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] (met ducttape) af te plannen en/of (vervolgens)
- die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] de woorden toe te voegen: "You better tell me where the money is, you kankerlijer; Do you want to die for the money", althans woorden van gelijke (dreigende of dwingende) aard of strekking, en/of (daarbij)
- een (vuur)wapen te richten op het gezicht/hoofd van die [aangeefster 2],
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1
januari 2024 tot en met 12 maart 2024 te Rijswijk, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door een rol ducttape te verstrekken;
2
hij op of omstreeks 12 maart 2024 te Rijswijk, in elk geval in Nederland, tezamen en
in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door
- met een bivakmuts over het hoofd en/of een (vuur)wapen in de hand de woning (alwaar die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] verbleven) binnen te dringen, althans te betreden en/of (vervolgens)
- een of meer (vuur)wapen te tonen aan en/of te richten naar die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] en/of (vervolgens)
- die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] (met ducttape) aan de polsen en/of enkels vast te binden en/of de mond van die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] (met ducttape) af te plannen en/of (vervolgens)
- die [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] de woorden toe te voegen: "You better tell me where the money is, you kankerlijer; Do you want to die for the money", althans woorden van gelijke (dreigende of dwingende) aard of strekking, en/of (daarbij)
- een (vuur)wapen te richten op het gezicht/hoofd van die [aangeefster 2];
3
hij op of omstreeks 12 maart 2024 te Zoetermeer en Rijswijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 8.720 euro en/of 1.280 euro en/of 26.001 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door
- met een niet aan verdachte toebehorende bankpas en/of pincode (aldus onbevoegd) voornoemd(e) geldbedrag(en) te pinnen, althans op te nemen bij/uit een geldautomaat, van de bankrekening van die [aangeefster 1], en/of
- ( onbevoegd) voornoemd(e) geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 26.001 euro) af/over te boeken van de bankrekening en/of het Bitvavo account van die [aangeefster 1];
4
hij op of omstreeks 8 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [aangeefster 1] het bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- met handschoenen aan en/of een (vuur)wapen in de hand die [aangeefster 1] vast te grijpen, en/of
- een (vuur)wapen tegen de buik van die [aangeefster 1] te drukken/duwen en/of (daarbij)
- die [aangeefster 1] de woorden toe te voegen: "Wil je dat ik ga schieten? Ik ga schieten! Als je luistert, gaat er niks gebeuren", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking.