ECLI:NL:RBDHA:2026:18575
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd toegewezen
Verzoeker, van Marokkaanse nationaliteit en in Nederland geboren en getogen, verzocht om een voorlopige voorziening tegen het besluit van 23 maart 2026 waarbij zijn bezwaar tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ongegrond werd verklaard en een terugkeerbesluit en inreisverbod voor tien jaar werden opgelegd.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang aanwezig is omdat de opschortende werking van het bezwaar op 21 april 2026 eindigt, waarna verzoeker geen rechtmatig verblijf meer heeft. Gezien de complexiteit en het principiële karakter van de zaak is aan het beroep een redelijke kans van slagen niet ontzegd.
De belangen van verzoeker wegen zwaarder dan die van verweerder. Verzoeker heeft een duurzame relatie met zijn Nederlandse vrouw en kind, kan zonder verblijfsrecht zijn werk en stage niet voortzetten en verliest sociale voorzieningen. Het vermeende gevaar voor de openbare orde door eerdere ernstige misdrijven weegt minder zwaar, mede door het tijdsverloop en het feit dat verzoeker sinds 2015 geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.
De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit tot vier weken na de beslissing op het beroep, waardoor verzoeker niet mag worden uitgezet en als houder van de verblijfsvergunning wordt behandeld. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot vier weken na de beslissing op het beroep.