ECLI:NL:RBDHA:2026:18562

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
NL24.36922
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 3 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 6 EVRM
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Syrië wegens onvoldoende motivering over willekeurig geweld en artikel 3 EVRM

Eiser, een Syrische nationaliteit, verzocht op 7 april 2023 om een verblijfsvergunning asiel. Verweerder wees dit op 26 augustus 2024 af, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank behandelde het beroep op 21 mei 2026.

Verweerder stelde dat er sprake was van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië, gebaseerd op ambtsberichten en verouderde bronnen, en dat eiser geen individuele risicoverhogende omstandigheden had aangevoerd. Eiser betoogde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat hij geen risico liep, mede vanwege de slechte humanitaire situatie in Daraa en persoonlijke bedreigingen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende actuele en gespecificeerde informatie had gebruikt om het lagere niveau van willekeurig geweld te onderbouwen en dat de humanitaire omstandigheden niet adequaat waren betrokken. Tevens was de beoordeling van het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro onvolledig en onvoldoende gemotiveerd.

Daarom vernietigde de rechtbank het bestreden besluit en gaf verweerder zes weken de tijd voor een nieuw besluit. Eiser werd tevens in de proceskosten van € 2.335,- tegemoetgekomen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering en beveelt een nieuw besluit binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36922

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. Noordeloos).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 7 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 26 augustus 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. [1] Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 8 december 2025 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen. Het beroep ziet van rechtswege ook op dit besluit. [2]
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser was hierbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Makaddam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die de zitting heeft bijgewoond door middel van een videoverbinding.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Syrië in 2021 heeft verlaten vanwege de oorlog. Hij vreest bij terugkeer naar Syrië slachtoffer te worden van geweld en vreest voor de toekomst van zijn kinderen.
De bestreden besluiten
3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit twee asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. vrees voor de algemene veiligheidssituatie in Syrië.
3.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene situatie in Syrië. Er is volgens verweerder geen sprake van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15 van Pro de Kwalificatierichtlijn. [3] Uit het beleid [4] van verweerder volgt dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Er is sprake van een verbetering in de algemene veiligheids- en mensenrechtensituatie. Geweldsuitbarstingen zijn incidenteel van aard en het aantal burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld is laag, zo blijkt uit het ambtsbericht van mei 2025. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft geen risicoverhogende individuele omstandigheden aangevoerd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene veiligheidssituatie in Syrië. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld en dat eiser geen slachtoffer zal worden van willekeurig geweld. [5] Uit landeninformatie blijkt dat er in Syrië en de regio Daraa (waar eiser vandaan komt), nog steeds sprake is van (willekeurig) geweld en dat de autoriteiten geen bescherming kunnen bieden. Verweerder had ook de slechte humanitaire situatie in Syrië moeten betrekken in deze beoordeling. Eiser voert verder aan in dit kader dat verweerder de individuele omstandigheden van eiser ten onrechte niet of onvoldoende bij de afweging heeft betrokken. Eiser wijst er daarbij op dat hij komt uit Daraa, dat hij niet behoort tot een invloedrijke stam of gewapende groepering en dat zijn zoon is bedreigd. Ten slotte voert eiser aan dat hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en de humanitaire omstandigheden in Syrië een risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM. [6]
4.1.
Eiser voert verder aan dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel en met artikel 6 van Pro het EVRM door hem pas op 9 september 2025, bijna een jaar na de val van het regime van Assad, aanvullend te horen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene situatie in Syrië?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, [7] nu de in het besluit verrichte 15c-beoordeling niet volledig is. Verweerder heeft namelijk bij deze beoordeling nagelaten om de meest actuele informatie over de humanitaire omstandigheden in Syrië te betrekken. [8]
6.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit op basis van zijn beleid aangenomen dat er in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit gebaseerd op informatie uit de ambtsberichten over Syrië van mei 2025 en januari 2026. Verder heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de humanitaire situatie in Syrië niet of nauwelijks te wijten is aan een actor die partij is bij een lopend gewapend conflict, maar juist het gevolg is van jarenlange oorlog, internationale sancties en het regime van Assad. Verweerder heeft erop gewezen dat de humanitaire situatie globaal moet worden meegewogen in de ‘15c-beoordeling’ als dit een direct of indirect gevolg is van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een actief gewapend conflict. Daarvan is volgens verweerder geen sprake en daarom spelen de humanitaire omstandigheden geen rol in de 15c-beoordeling. Verweerder heeft daarbij gewezen op de
Country Guidance Syriavan EUAA, een rapport van UK Home Office van juli 2025 en een niet nader gespecificeerde of gedateerde bron van ‘fluechtelingshilfe.ch’. Verweerder heeft zich ten slotte ter zitting op het standpunt gesteld dat de individuele omstandigheden van eiser geen risicoverhogende factoren zijn.
6.2.
Ten aanzien van het betrekken van de humanitaire omstandigheden in de 15c-beoordeling overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. Maar, mede gelet op de volatiele situatie in Syrië had verweerder de huidige humanitaire omstandigheden in Syrië moeten beoordelen aan de hand van actuele bronnen en kon verweerder niet volstaan met de verwijzingen naar verouderde informatie en een niet-gespecificeerde bron. Met deze algemene verwijzingen kan de rechtbank bovendien niet nagaan welke humanitaire omstandigheden verweerder heeft betrokken en op basis van welke informatie verweerder tot de conclusie is gekomen dat de omstandigheden niet worden veroorzaakt of in stand gelaten door partijen die actief zijn bij een gewapend conflict. Verweerder erkent voorts dat de strijdende partijen in het herkomstgebied van eiser nog steeds geweld gebruiken dat de humanitaire situatie verergert, zoals het tegenhouden van hulpkonvooien, maar waarop de conclusie is gebaseerd dat dit dermate incidenteel is dat hieraan geen betekenis toekomt in de beoordeling, is door verweerder niet duidelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt.
Artikel 3 van Pro het EVRM
7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ook onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.
7.1.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. [9] Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van Pro het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. [10]
7.2.
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi [11] twee situaties onderscheidt:
- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor het aannemen van een reëel risico op een schending van artikel 3 van Pro het EVRM hoger.
7.3.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit in bovenbedoelde zin niet uitgelaten over de vraag of eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Dit is een motiveringsgebrek. Ter zitting heeft verweerder zich aanvullend op het standpunt gesteld dat eiser geen omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zou komen in een situatie in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende om te spreken van een volledige en individuele beoordeling van de vraag of eiser een risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM, nu deze enkele stelling geen blijk geeft van het onderzoeken en betrekken van de daartoe relevante (persoonlijke en algemene) omstandigheden. Net als bij de 15c-beoordeling heeft verweerder onvoldoende inzicht gegeven in hoe hij de causale relatie tussen het geweld en de humanitaire omstandigheden beoordeelt en waarom hieruit volgt dat de zwaardere toets aan de orde is. Tevens is nagelaten de persoonlijke omstandigheden in samenhang met de algemene situatie op inzichtelijke wijze te beoordelen. De beroepsgrond slaagt.
8. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep al gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en Pro 3:46 van de Awb. De rechtbank komt daarom niet toe aan de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
10. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.335,-. [12]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten van 26 augustus 2024 en 8 december 2025;
  • draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).
4.Zie paragraaf C7/33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
5.Eiser verwijst hierbij naar verschillende uitspraken van deze rechtbank.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
8.De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij de uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.
10.Arrest
11.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (
12.1 punt voor het indienen van het beroepschrift, ½ punt voor het indienen van een schriftelijke reactie op het aanvullend besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.