Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
.
Rechtbank Den Haag
De minister legde op 14 juni 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde op 26 juni 2026 beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk is als vervolgberoep en dat de inhoudelijke beoordeling zich richt op de periode na het sluiten van het onderzoek op 19 juni 2026. De rechtbank stelde vast dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was en dat de nieuwe beroepsgronden reeds eerder hadden moeten worden ingebracht of reeds waren beoordeeld.
De rechtbank concludeerde dat de voortzetting van de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is, mede omdat er zicht is op uitzetting en de minister voortvarend handelt. De medische klachten van eiser zijn niet voldoende onderbouwd om een lichter middel te rechtvaardigen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eiser procedureel rechtmatig verblijf heeft gedurende de beoordelingsperiode.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.