ECLI:NL:RBDHA:2026:18510

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
09/069816-26, 09/075406-26 (ttz. gev.) en 09/322506-23 (tul)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 310 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meervoudige diefstal en oplegging onvoorwaardelijke ISD-maatregel

De rechtbank Den Haag heeft op 3 juli 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die meerdere diefstallen pleegde in Den Haag in februari en maart 2026. De tenlastelegging omvatte onder meer diefstal van een fiets, zonnebrillen, een tas en sieraden van verschillende winkels en particulieren. De verdachte heeft tijdens de terechtzitting op 19 juni 2026 bekend.

De rechtbank acht de feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van de bekennende verklaring, aangiftes, proces-verbalen en camerabeelden. De verdediging heeft vrijspraak gevraagd voor een van de feiten, maar dit is verworpen. De verdachte heeft een uitgebreid strafblad met meerdere eerdere veroordelingen en heeft al eerder ISD-maatregelen ondergaan zonder blijvende gedragsverandering.

Gezien het hoge recidiverisico, de ernst van de feiten en de problematiek van de verdachte, waaronder psychische aandoeningen en middelengebruik, legt de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op voor de maximale duur van twee jaar. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding af wegens gebrek aan rechtstreekse schade en wijst ook de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf af vanwege de opgelegde ISD-maatregel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor meervoudige diefstal en opgelegd een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/069816-26, 09/075406-26 (ttz. gev.) en 09/322506-23 (tul)
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 19 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H. Mol, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.C.H. Walkate, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
parketnummer 09/069816-26 (hierna: dagvaarding I)
1.
hij op of omstreeks 7 maart 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, een fiets, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 7 maart 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, een of meerdere zonnebrillen (van het merk Ray Ban), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan GrandOptical (gevestigd aan de [adres 1] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
hij op of omstreeks 27 februari 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, een tas (van het merk Guess), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan Guess (gevestigd aan de [adres 2] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
parketnummer 09/075406-26 (hierna: dagvaarding II)
1.
hij op of omstreeks 12 maart 2026 te 's-Gravenhage twee flesjes parfum, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Etos aan [adres 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 12 maart 2026 te 's-Gravenhage divsere sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en/of C&A, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 maart 2026 te 's-Gravenhage, diverse sieraden (van de winkels [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en/of de C&A), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten 2 en 3 van dagvaarding I en alle feiten van dagvaarding II met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Ten aanzien van dagvaarding I, feiten 2 en 3
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026078804, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 70).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van feit 2
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 7 maart 2026 (p. 29 - 32);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 maart 2026 (p. 33 - 35);
Ten aanzien van feit 3
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , opgemaakt op 7 maart 2026 (p. 23 - 26);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 maart 2026 (p. 27 - 28);
Ten aanzien van dagvaarding II, feit 1 en 2 primair
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026085660, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 47).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van feit 1
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , opgemaakt op 12 maart 2026 (p. 19 - 25);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 maart 2026 (p. 42 - 44);
Ten aanzien van feit 2, primair
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , opgemaakt op 12 maart 2026 (p. 19 - 25);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , opgemaakt op 12 maart 2026 (p. 26 - 30);
4. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] , opgemaakt op 12 maart 2026 (p. 31 - 33);
5. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , opgemaakt op 12 maart 2026 (p. 34 - 37).
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde bepleit.
Op nadere standpunten van de verdediging zal de rechtbank - voor zover van belang - hierna ingaan.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van dagvaarding I, feit 1
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026078804, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 70).
1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2026:
Ik ben op 7 maart 2026 in Den Haag weggefietst op die fiets.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 7 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 10 - 11):
Pleegdatum/tijd : Tussen zaterdag 7 maart 2026 om 15:19 uur en zaterdag 7 maart 2026 om 15:31 uur
Ik had mijn fiets geparkeerd voor het restaurant La Storia. Ik had de fiets niet op slot gezet. Ik stond vijf meter verder van mijn fiets.
Na een tijdje draaide ik mijzelf om. Ik zag dat er een man op mijn fiets wegreed de Gortstraat in. Ik zag dat de man op de fiets reed, die ik zojuist naast mij had geparkeerd.
Ik rende ook de Gortstraat in achter de man. Ik pakte de man bij zijn schouder en ik kon de man na enige inspanning aanhouden in de Wagenstraat.
De elektrische fiets is mijn eigendom. Ik zag dat de politie de juiste man had meegenomen die zojuist mijn elektrische fiets had gestolen.
3.5.
Bewijsoverweging ten aanzien van dagvaarding I, feit 1
De gedragingen van verdachte – die erop neerkomen dat hij loopt naar een geparkeerde fiets, op die fiets stapt en vervolgens daarmee wegrijdt – zijn naar hun uiterlijke verschijningsvormen gericht op wederrechtelijke toe-eigening. Zijn verklaring dat hij de fiets had gekocht is onaannemelijk, gelet op de aangifte en de camerabeelden van de coffeeshop. Het dossier bevat ook overigens geen steun voor het scenario van de verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder dagvaarding I en dagvaarding II ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
dagvaarding I
1.
hij op 7 maart 2026 te 's-Gravenhage, een fiets, die aan [aangever 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op 7 maart 2026 te 's-Gravenhage, zonnebrillen (van het merk Ray Ban) die aan GrandOptical (gevestigd aan de [adres 1] ), toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om
dezezich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
hij op 27 februari 2026 te 's-Gravenhage, een tas (van het merk Guess), die aan Guess (gevestigd aan de [adres 2] ), toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
dagvaarding II
1.
hij op 12 maart 2026 te 's-Gravenhage twee flesjes parfum, die aan de Etos aan [adres 3] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om
dezezich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op 12 maart 2026 te 's-Gravenhage
diversesieraden, die aan [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en/of C&A, toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om
dezezich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De oplegging van de maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een bewezenverklaring een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, waaronder begeleiding naar een geschikte woonlocatie.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt meerdere winkeldiefstallen en een fietsendiefstal. Diefstallen zijn hinderlijke feiten die financiële schade en overlast veroorzaken. Bovendien dragen dergelijke feiten bij aan de versterking van gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 8 juni 2026. De verdachte is in de afgelopen vijf jaren vele malen voor (soortgelijke) strafbare feiten veroordeeld. Bovendien heeft verdachte tweemaal eerder, in 2020 en 2011, een ISD-maatregel doorlopen. Ook heeft hij in 2018 de voorwaardelijke ISD-maatregel gekregen.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 15 juni 2026. Hieruit blijkt dat er bij verdachte sprake is van een delictpatroon met betrekking tot vermogensdelicten. Bij verdachte is sprake van middelengebruik en een hoog recidiverisico. Daarnaast ziet de reclassering problemen op het gebied van financiën, psychosociaal functioneren en houding. Het niet kunnen vinden van een passende woonvorm wordt als een enorme belemmering ervaren om daadwerkelijk verandering aan te kunnen brengen in de situatie van verdachte. De verdachte heeft een woonvorm nodig waar harddrugsgebruik niet getolereerd wordt, maar waar het gebruik van cannabis wel is toegestaan. Cannabis zorgt ervoor dat verdachte rustig blijft en neemt zijn trek in harddrugs af. Een toename in harddrugsgebruik zorgt voor instabiliteit in zijn psychische gesteldheid (schizofrenie) en het is een terugkerend patroon waar verdachte geen verandering in kan brengen. Het is de reclassering niet gelukt om binnen de regio Haaglanden een dergelijke plek te vinden. In overleg met de verdachte is besloten om buiten de regio te zoeken zodat hij geplaatst kan worden binnen een woonvorm voor langdurig verblijf. Indien er geen passende woonvorm gevonden wordt, blijft het risico op recidive volgens de reclassering onveranderd hoog.
Uit het advies volgt ook dat de verdachte al geruime tijd bekend is bij de reclassering.
De afgelopen jaren werd er ingezet op meerdere (forensische) trajecten. Desondanks is het niet gelukt om langdurige gedragsverandering te bewerkstelligen. Dit lijkt met name te komen door een hoge mate van onmacht vanwege zijn jarenlange verslaving, LVB- en psychische problematiek. De reclassering is van mening dat verdachtes leerbaarheid zeer beperkt is, waardoor voornamelijk ingezet moet gaan worden op structuur en regelmaat binnen een veilige setting. De reclassering acht het ook van belang dat de verdachte rechtstreeks vanuit detentie geplaatst wordt binnen een woonvorm. De reclassering ziet, gelet op het voorgaande, onvoldoende mogelijkheden om via een voorwaardelijke ISD-maatregel gedragsverandering te bewerkstelligen en adviseert bij veroordeling aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
[naam 1] en [naam 2] , reclasseringswerkers, zijn ter terechtzitting als deskundigen gehoord. Zij hebben verklaard dat een plaatsing bij een passende woonvorm in het kader van een voorwaardelijke straf niet wenselijk is, omdat sprake is van een wachtlijst van minimaal een jaar. Het is van belang dat de verdachte vanuit een gedwongen kader wordt geplaatst.
De op te leggen ISD-maatregel
Aan de in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht genoemde wettelijke vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel is voldaan. Het Openbaar Ministerie heeft, nu de verdachte voldoet aan de definitie van aan de definitie van een stelselmatige dader, zoals bedoeld in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie, de ISD-maatregel kunnen vorderen en gevorderd en het gaat om feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van de verdachte volgt dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de datum van het bewezenverklaarde feit meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. De opgelegde sancties zijn geheel ten uitvoer gelegd en het bewezenverklaarde feit dateert van na deze tenuitvoerleggingen.
Tot slot, gezien de ernst en het aantal door de verdachte begane soortgelijke feiten en rekening houdend met het hoge recidiverisico, eist de veiligheid van goederen het opleggen van de ISD-maatregel. Over die noodzaak overweegt de rechtbank verder als volgt.
De in het verleden aan de verdachte opgelegde straffen en maatregelen en de verschillende ambulante hulpverleningstrajecten hebben er niet toe hebben geleid dat de verdachte zijn gedrag heeft veranderd.
Zo lang geen oplossing voor zijn problematiek wordt gevonden, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een soortgelijk misdrijf zal begaan. De veiligheid van goederen is daarmee in het geding. Deze oplossing kan niet meer worden gevonden in het opleggen van reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf. Ook is er geen aanknopingspunt om een verblijf bij zijn moeder voldoende te achten om de kans op herhaling te beperken – nog daargelaten de kwetsbare situatie van moeder zelf en de zorgen van de andere familieleden daarover. De oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel resteert om de beveiliging van de maatschappij te borgen en de verdachte tot een oplossing van zijn problematiek te laten komen.
Om deze doelen kans van slagen te geven is het van belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die door de verdachte voor tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van die maatregel.

7.De vordering van de benadeelde partij

[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 500,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij af te wijzen wegens een gebrek aan rechtstreekse schade.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen wegens een gebrek aan rechtstreekse schade.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij stelt € 500,- materiële schade te hebben geleden, en gaat er daarmee aan voorbij dat hij zelf bij het doen van aangifte heeft verklaard de fiets voor € 350,- te hebben gekocht. Daar komt bij dat de fiets aan hem is geretourneerd.
Een onderbouwing voor het bestaan van geestelijk letsel, bijvoorbeeld in de vorm van een diagnose door een deskundige, ontbreekt. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om immateriële schade toe te kennen.
De rechtbank zal de vordering afwijzen.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 5 juni 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/322506-23 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 6 december 2023 voorwaardelijk opgelegde straf van een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Ter zitting heeft de officier van justitie verzocht om de vordering af te wijzen, gelet op de gevorderde ISD-maatregel.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de vordering af te wijzen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Hoewel de verdachte zich wederom schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden die aan de voorwaardelijk opgelegde straf is verbonden, zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen. De rechtbank legt immers in onderhavige strafzaak de onvoorwaardelijke ISD-maatregel op. Gelet op de duur en aard van die maatregel is de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf niet geboden.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57 en 310.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van deze uitspraak gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en dagvaarding II onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I, feit 1, feit 2, feit 3, dagvaarding II, feit 1, feit 2 primair, telkens:
diefstal;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (TWEE) JAREN.
de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij af;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 6 december 2023, gewezen onder parketnummer 09/322506-23, af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.H.M. Smelt, voorzitter,
mr. S. Pereth, rechter,
mr. J. Barensen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2026.