ECLI:NL:RBDHA:2026:18499

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
09/300686-24 en 09/110875-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen drugshandel, witwassen en bezit explosief flitspoeder

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van het afleveren, vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van aanzienlijke hoeveelheden soft- en harddrugs, alsmede voor medeplegen van witwassen en het bezit van explosief flitspoeder. De feiten vonden plaats tussen juni en september 2024 in Leiden, Leiderdorp en Berkel en Rodenrijs.

Het bewijs bestond uit verklaringen van medeverdachten, onderzoek van aangetroffen drugs en flitspoeder, en de omstandigheden rond de betrokkenheid van verdachte bij de drugstransacties en het witwassen van €178.570. De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat drugs in zijn woning en kelderbox aanwezig waren, mede doordat hij medeverdachte toegang gaf en geen kritische vragen stelde.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 540 dagen op, waarvan 272 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden, en een taakstraf van 200 uur. De straf is passend geacht gezien de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact van drugshandel en witwassen, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder verminderde intellectuele capaciteiten en schuldenlast.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 540 dagen gevangenisstraf, waarvan 272 dagen voorwaardelijk, en 200 uur taakstraf voor medeplegen van drugshandel, witwassen en bezit van explosief flitspoeder.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/300686-24 (dagvaarding I) en 09/110875-25 (dagvaarding II) (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] te [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.C. Neelis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P.F.D.P. de Milliano naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in dagvaarding I en dagvaarding II, die is gewijzigd op de terechtzitting van 4 juni 2026. De tekst van de (gewijzigde) tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van dagvaarding I
De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 2 gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, te weten het medeplegen van het aanwezig hebben, vervoeren, afleveren en/of verstrekken van een hoeveelheid hasjiesj. Voor de overige tenlastegelegde handelingen onder feit 2 heeft zij partiële vrijspraak gevraagd. Ten aanzien van feit 3 heeft zij gerekwireerd tot een bewezenverklaring met partiële vrijspraak voor het aanwezig hebben van heroïne. Daarnaast heeft zij gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten 4 en 5.
Ten aanzien van dagvaarding II
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van dagvaarding I
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde bepleit en heeft met betrekking tot het onder 5 tenlastegelegde geen standpunt ingenomen.
Ten aanzien van dagvaarding II
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding II tenlastegelegde bepleit.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden in bijlage II opgenomen.
De rechtbank zal voor feit 5 van dagvaarding I met een opgave van bewijsmiddelen volstaan, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van dagvaarding I, feit 2
Wat is er gebeurd?
Medeverdachte [medeverdachte 1] is door [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ) benaderd met de vraag of hij een afnemer voor een partij hasjiesj kon vinden. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] contact gelegd met de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . [medeverdachte 3] was de geldschieter die bepaalde of de hasj gekocht werd of niet, en [medeverdachte 4] was de werker van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] heeft ook de verdachte ingeschakeld omdat deze over een voertuig beschikte met een verborgen ruimte waar de hasj in moest worden vervoerd.
De rechtbank stelt vast dat de medeverdachte [medeverdachte 4] op 6 juni 2024 een ontmoeting heeft gehad met [naam] om een hoeveelheid hasjiesj te kopen. De verdachte is daartoe samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] , verdeeld over twee auto’s en naar de omgeving van de woning van die [naam] gereden. De verdachte reed een witte Opel Combo en zat met [medeverdachte 4] in de auto. Het was de bedoeling dat [medeverdachte 3] de hasjiesj van [naam] zou kopen, dat [medeverdachte 4] de feitelijke overdracht zou uitvoeren en dat de verdachte de hasjiesj na aankoop in zijn Opel Combo met een verborgen ruimte zou vervoeren. Op het laatste moment is dit plan echter gewijzigd omdat de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 3] eerder uit de omgeving van de woning van [naam] is vertrokken.
Tijdens de beoogde overdracht van de hasjiesj is er een discussie tussen [naam] en [medeverdachte 4] ontstaan waarbij [naam] door [medeverdachte 4] is neergeschoten. Na het schietincident is [medeverdachte 4] vanuit de woning van [naam] met een tas hasjiesj in het voertuig van [medeverdachte 1] gestapt, waarna [medeverdachte 1] hem heeft vervoerd naar de ontmoetingsplaats waar zij voorafgaand aan het incident hadden afgesproken.
Hasjiesj
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat zich in de tas die medeverdachte [medeverdachte 4] uit de woning van [naam] heeft meegenomen en waarmee hij in de auto van de verdachte is gestapt, daadwerkelijk hasjiesj bevond.
Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] hebben beiden verklaard dat de beoogde transactie op 6 juni 2024 om hasj ging. Uit het dossier blijkt verder dat de medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op 5 juni 2024 naar de Shell aan de Hoge Rijndijk in Leiden zijn gegaan om de aangeboden partij hasjiesj te controleren. Nadat was vastgesteld dat het om (goede kwaliteit) hasjiesj ging, is een afspraak gemaakt voor de (ver)koop van 9 kilogram hasjiesj op 6 juni 2024. Voorts zijn bij de doorzoeking op 11 juni 2024 in de woning van [naam] 18 blokken van een bepaalde substantie aangetroffen en in beslag genomen. Uit onderzoek is gebleken dat deze blokken positief testten op hasjiesj. Daarnaast heeft de partner van [naam] verklaard dat zij wist dat [naam] in hasjiesj handelde en dat zij wist dat er op 6 juni 2024 een deal zou plaatsvinden met betrekking tot 9 kilogram hasjiesj.
Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de verdachte met de medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] op 6 juni 2024 uitvoering gaf aan een transactie betreffende hasjiesj en dat er in de tas, die [medeverdachte 4] in zijn hand had toen hij in de auto van medeverdachte [medeverdachte 1] stapte, hasj zat. De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
De verdachte is samen met medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] naar de omgeving van de woning van [naam] gereden. Hij was daarbij aanwezig omdat het de bedoeling was dat de gekochte hasjiesj na de transactie vervoerd zouden worden in de verborgen ruimte van zijn witte Opel Combo. Hoewel dit plan op het laatste moment is gewijzigd en de verdachte de hasjiesj uiteindelijk niet heeft vervoerd, betekent dit niet dat zijn betrokkenheid daarmee niet kan worden vastgesteld.
Medeplegen vereist immers niet altijd dat alle betrokkenen een uitvoerende rol hebben bij het daadwerkelijke plegen van het strafbare feit. Ook andere bijdragen kunnen, afhankelijk van hun gewicht en betekenis binnen het gezamenlijke plan, leiden tot een bewezenverklaring van medeplegen. In dit geval maakte het vervoer van de hasjiesj in de verborgen ruimte van de Opel Combo een belangrijk onderdeel uit van het gezamenlijke plan. De verdachte had daarin een concrete en vooraf afgesproken rol. Het enkele feit dat het plan op het laatste moment is gewijzigd, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de beoogde bijdrage van de verdachte aan het geheel.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben, vervoeren en afleveren van een hoeveelheid hasjiesj. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Partiële vrijspraak
De rechtbank kan niet vaststellen dat op 6 juni 2024 sprake is geweest van bereiden, bewerken, verwerken, verkopen en verstrekken van een hoeveelheid hasjiesj door de verdachte al dan niet in nauwe en bewuste samenwerking met (een) andere(en). Tevens is niet gebleken dat er sprake is geweest van bereiden, bewerken, verwerken, verkopen of verstrekken van een hoeveelheid hasjiesj door de verdachte of de medeverdachten. Daarom zal de verdachte worden vrijgesproken voor zover de tenlastelegging ziet op het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen en verstrekken van hasjiesj op 6 juni 2024.
Ten aanzien van dagvaarding I feiten 3 en 4, en dagvaarding II
Opzettelijk aanwezig hebben
De verdediging stelt dat de verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de MDMA, cocaïne en het flitspoeder in (de kelderbox van) zijn woning. Volgens de verdachte moet medeverdachte [medeverdachte 3] deze goederen zonder zijn medeweten in zijn woning en/of kelderbox hebben opgeslagen. Daarom kan niet bewezen worden dat de verdachte de MDMA, cocaïne en het flitspoeder opzettelijk aanwezig heeft gehad.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen dan wel het voorhanden hebben van een wapen is vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid daarvan, dan wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze middelen of goederen aanwezig waren. Ook is vereist dat de verdachte beschikkingsmacht had over deze middelen en/of goederen. Ten aanzien van de beschikkingsmacht door de verdachte over de in deze zaak relevante middelen en goederen is door de verdediging geen verweer gevoerd en de rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat hiervan sprake was. De rechtbank zal hierna ingaan op de wetenschap van de verdachte ten aanzien van de aanwezigheid van de middelen en goederen in zijn woning en kelderbox.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat de verdachte als enige bewoner van de woning verantwoordelijk kan worden gehouden voor hetgeen zich in zijn woning en bijbehorende kelderbox bevindt. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting volgt dat de verdachte de sleutel van zijn woning en kelderbox ter beschikking stelde aan medeverdachte [medeverdachte 3] . De verdachte wist dat [medeverdachte 3] zich bezighield met criminele activiteiten en eerder verboden goederen in zijn woning had opgeslagen. Daarnaast was de verdachte ervan op de hoogte dat [medeverdachte 3] op 6 juni 2024 een hoeveelheid hasjiesj beoogde te kopen en heeft hij verklaard meermaals samen met [medeverdachte 3] blokken cocaïne te hebben opgehaald. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij [medeverdachte 3] toestemming heeft gegeven een verborgen ruimte in zijn auto aan te brengen.
Verder heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij geen kritische vragen stelde over de activiteiten van [medeverdachte 3] en dat hij veel zaken zonder vragen te stellen accepteerde. Ook heeft hij verklaard dat hij eerder op verzoek van [medeverdachte 3] cocaïne achter een plint in zijn woning heeft weggehaald om deze aan een derde af te geven.
Wat ook zij van de niet nader onderbouwde stelling dat de verdachte geen wetenschap had van de in zijn woning en kelderbox aangetroffen verboden goederen, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich onder deze omstandigheden niet met succes kan beroepen op onbekendheid met of onwetendheid over hetgeen zich in zijn woning en/of kelderbox bevond. Door [medeverdachte 3] onbeperkt en ongecontroleerd toegang tot zijn woning en kelderbox te geven, terwijl hij wist dat deze zich bezighield met criminele activiteiten en eerder drugsgerelateerde transacties vanuit zijn woning had laten verlopen, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [medeverdachte 3] in zijn woning en/of kelderbox verdovende middelen en/of andere verboden goederen zou kunnen opslaan.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de aanwezigheid van cocaïne, MDMA, hasjiesj en flitspoeder in zijn woning en kelderbox.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder dagvaarding I, feiten 3 en 4, en onder dagvaarding II ten laste gelegde opzettelijk aanwezig hebben van de verdovende middelen en het voorhanden hebben van het flitspoeder wettig en overtuigend bewezen.
Partiële vrijspraak
Nu er geen deskundigenrapportage van het Nederlands Forensisch Instituut betreffende de vermoedelijk aangetroffen heroïne in de woning van de verdachte in het dossier zit, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken voor zover de tenlastelegging ziet op het opzettelijk aanwezig hebben van heroïne.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Ten aanzien van dagvaarding I
2
hij op 6 juni 2024 te Leiden, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft afgeleverd, vervoerd
enopzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3
hij op 25 september 2024 te Leiderdorp, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer
91,3gram van een materiaal bevattende cocaïne en 18 pillen (9,2 gram) van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en MDMA, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
4
hij op 25 september 2024 te Leiderdorp opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van 22 kilo hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
5
hij in de periode van 27 juli 2024 tot en met 28 juli 2024, te Leiden en Berkel en Rodenrijs, tezamen en in vereniging met een ander, een geldbedrag van 178.570,-, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
Ten aanzien van dagvaarding II
hij op 25 september 2024 te Leiderdorp, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten 2 zakken inhoudende (ongeveer) 979,2 gram flitspoeder,
zijnde een stof bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door
middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering met uitzondering van het contactverbod.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht geen langere gevangenisstraf op te leggen dan het reeds ondergane voorarrest voor feit 5 van dagvaarding I, en te volstaan met oplegging van een taakstraf voor eventuele andere bewezen verklaarde feiten.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het afleveren, vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid softdrugs en het aanwezig hebben van soft- en harddrugs. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van het criminele circuit met betrekking tot drugs en daarmee gevaar, schade en overlast voor de samenleving veroorzaakt. Bovendien gaat de handel in verdovende middelen steeds meer gepaard met andere vormen van criminaliteit. Zo heeft de handel in drugs op meerdere niveaus van de maatschappij een forse negatieve invloed.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van € 178.570,00. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Opbrengsten van misdrijven worden hierdoor aan het zicht van justitie onttrokken waardoor witwassen kan worden gezien als een misdrijf dat andere misdrijven faciliteert.
Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid flitspoeder. Explosieven zijn in zijn algemeenheid een groot en toenemend maatschappelijk probleem dat leidt tot gevoelens van angst en grote onveiligheid in de samenleving. Flitspoeder is gevoelig voor ontsteking door vuur, hitte, een vonk of wrijving en daarmee zeer explosief. De verdachte heeft, door bijna een kilo flitspoeder zonder enige veiligheidsmaatregelen aanwezig te hebben, het risico genomen dat alle spullen in de kelderbox beschadigd zouden raken en personen die zich ten tijde van de ontploffing in of in de buurt van de kelderbox bevonden zelfs zouden kunnen komen te overlijden. Daarnaast zou de kans op het ontstaan van brand in het wooncomplex aanzienlijk zijn geweest.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 april 2026 en constateert dat daar geen strafbare feiten op staan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 22 mei 2026, waaruit volgt dat de verdachte verkeerde contacten leek te hebben, de delicten waarschijnlijk uit financieel gewin heeft gepleegd en dat waarschijnlijk sprake is van verminderde intellectuele capaciteiten. De verdachte zou naïef en makkelijk beïnvloedbaar zijn. Daarnaast is er sprake van een behoorlijke schuldenlast. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, contactverbod met de medeverdachten en aflossing van schulden op te leggen. De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte bij de strafoplegging mee dat hij gedurende ongeveer een jaar onder elektronisch toezicht heeft gestaan in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis en dat hij gedurende het schorsingstoezicht goed heeft meegewerkt aan de interventies van de reclassering.
LOVS
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor het opzettelijk aanwezig hebben van 5 tot 10 kilo softdrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden vermeld en voor het opzettelijk aanwezig hebben van 10 tot 25 kilo softdrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Voor het aanwezig hebben van tussen de 100-150 gram harddrugs is een taakstraf van 240 uur vermeld. Voor het witwassen van een bedrag tussen de € 125.000 en
€ 200.000 is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 tot 12 maanden vermeld.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De rechtbank zal een deel van die straf, groot 272 dagen, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden – met uitzondering van het contactverbod – om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat de verdachte hulp krijgt bij zijn problematiek. De rechtbank beoogt hiermee te bewerkstelligen dat de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf hoeft uit te zitten dan het reeds ondergane voorarrest, mits hij zich binnen de proeftijd aan de algemene en bijzondere voorwaarden houdt. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte zal dan ook worden opgeheven. Daarnaast zal aan de verdachte worden opgelegd een taakstraf voor de duur van 200 uren.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

Ter terechtzitting is gebleken dat een bedrag van € 500,00 van de verdachte door de politie in beslag is genomen. De officier van justitie heeft ter zitting verklaard dat zij de teruggave van dit bedrag aan de verdachte met de politie zal afstemmen. De rechtbank verstaat aldus dat zij hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 3, 10 en 11, van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I en II;
- 26 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I (09/300686-24) onder 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten en het bij dagvaarding II (09/110875-25) ten laste gelegde feit, heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 2 primair ten laste gelegde:
het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro B en C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 3:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 4:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 5:
het medeplegen van witwassen;
ten aanzien van dagvaarding II
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7º;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
540(
vijfhonderdveertig)
DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 272 (tweehonderdtweeënzeventig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland RN Advies&Toezichtunit 3 Zuid-West te Rotterdam op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd deelneemt aan een gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen zoals die door of namens de trainer aan hem worden gegeven;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt dat hij moet meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van
200 (tweehonderd) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
100 (honderd) DAGEN;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
mr. J. Herfkens, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs N.D. van Duijkeren en V.K.M. Hanssen, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2026.
Bijlage I – de (gewijzigde) tenlasteleggingen
Ten aanzien van dagvaarding I
2
hij in of omstreeks de periode van 6 juni 2024 te Leiden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 6 juni 2024 te Leiden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 6 juni 2024 te Leiden, althans in Nederland, medeplichtig is geweest door het opzettelijk verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen en/of door opzettelijk behulpzaam te zijn, welke medeplichtigheid (onder meer) hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte:
- als bestuurder van een auto (met een verborgen ruimte) heeft opgetreden om [medeverdachte 4] en/of
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] op te halen en/of te vervoeren en/of te begeleiden naar de woning van die [naam] en/of
- (vervolgens) in een auto (in de omgeving van de woning) met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] op die [medeverdachte 4] is blijven wachten en/of – nadat de ripdeal gepleegd was – deze [medeverdachte 4] met de door hem bestuurde auto weer mee (terug) heeft genomen en/of is meegereden weg van de plaats delict;
3
hij op of omstreeks 25 september 2024 te Leiderdorp, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 98,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 4,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of 18 pillen (9,2 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of heroïne en/of MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4
hij op of omstreeks 25 september 2024 te Leiderdorp opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 22 kilo hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
5
hij in of omstreeks de periode van 27 juli 2024 tot en met 28 juli 2024, te Leiden en/of Berkel en Rodenrijs, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van) een of meer geldbedrag(en) ten bedrage van 178.570,-, althans een of meer voorwerpen
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
Ten aanzien van dagvaarding II
hij op 25 september 2024 te Leiderdorp, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten 2 zakken inhoudende (ongeveer) 979,2 gram flitspoeder,
zijnde een voorwerp/stof bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door
middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad.