ECLI:NL:RBDHA:2026:18461
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen ontbreken rechterlijke dwangsom bij verblijfsvergunning asiel afgewezen
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 november 2025 waarbij haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd werd ingewilligd, maar waarin niet is vastgesteld dat zij ook recht heeft op een rechterlijke dwangsom van €7.500,-. Eiseres baseert dit op een eerdere uitspraak van 24 februari 2025 en stelt dat zij, net als haar partner, een afzonderlijke dwangsom zou moeten krijgen.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 behandeld, waarbij eiseres en haar gemachtigde niet aanwezig waren. De minister heeft het verweer dat het beroep niet-ontvankelijk zou zijn, ter zitting laten vallen. De rechtbank oordeelt dat op grond van een redelijke toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb slechts één dwangsom geldt voor eiseres en haar partner gezamenlijk.
Het lopende hoger beroep tegen een eerdere uitspraak kan de hoogte van de dwangsommen beïnvloeden, maar doet niet af aan dit oordeel. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de vordering van eiseres af. Zij krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het ontbreken van een rechterlijke dwangsom wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.