ECLI:NL:RBDHA:2026:18273

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juli 2026
Zaaknummer
C/09/688273 / FA RK 25-5224
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 1:99 lid 1 sub b BWArt. 1:100 BWArt. 1:164 BW
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en verdeling huwelijksgemeenschap

Partijen zijn gehuwd in 2016 in wettelijke algehele gemeenschap van goederen. De vrouw verzocht om echtscheiding, welke door de man niet werd bestreden. De rechtbank wijst de echtscheiding toe wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk.

De man verzocht het huurrecht van de echtelijke woning aan hem toe te wijzen, wat de rechtbank toewijst omdat de vrouw dit niet betwistte. Voor de verdeling van de huwelijksgemeenschap geldt de peildatum van het verzoekschrift, 10 juli 2025.

De man vorderde inzage in bankafschriften van de vrouw over zes maanden voorafgaand aan de peildatum en op de peildatum, wegens vermoeden van benadeling van de gemeenschap. De rechtbank oordeelt dat de man een gerechtvaardigd belang heeft en beveelt de vrouw binnen vier weken inzage te geven, onder dwangsom.

De vrouw wilde dat schulden gelijkelijk werden verdeeld, maar de rechtbank wijst dit af voor schulden na de peildatum en houdt verdere beslissing over overige schulden aan tot 15 augustus 2026. Proceskosten worden eveneens aangehouden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, behalve het uitspreken van de echtscheiding.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, wijst het huurrecht toe aan de man en beveelt de vrouw inzage te geven in bankafschriften voor de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 25-5224 (echtscheiding)
FA RK 25-9427 (verdeling huwelijksgemeenschap)
Zaaknummers: C/09/688273 (echtscheiding)
C/09/696066 (verdeling huwelijksgemeenschap)
Datum beschikking: 3 juni 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 10 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.F. van Galen in Alphen aan den Rijn .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.S.M. Oudijk in Gouda.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 16 juli 2025 van de vrouw, met bijlage;
  • het bericht van 17 juli 2025 van de vrouw, met bijlage;
  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ingekomen op 8 oktober 2025;
  • het verweer tegen de zelfstandige verzoeken, ingekomen op 27 november 2025;
  • het bericht van 16 december 2025 van de vrouw;
  • het bericht van 23 april 2026 van de man, met bijlagen;
  • het bericht van 24 april 2026 van de vrouw, waarin zij haar verzoek aanvult, met bijlagen.
Op 6 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat.
Door de advocaat van de man zijn op de zitting pleitnotities overgelegd en voorgehouden.
De rechtbank heeft de vrouw op de zitting in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 15 mei 2026 de rechtbank te berichten of zij aan het gewijzigde verzoek van de man onder III. wil voldoen. De rechtbank heeft geen bericht van de vrouw ontvangen.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [datum] 2016 in [plaats] , in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen.
  • In 2025 heeft de vrouw de echtelijke woning een aantal maanden verlaten.
  • Momenteel wonen partijen weer samen in de echtelijke woning.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt de echtscheiding uit te spreken tussen partijen gehuwd op [datum] 2016 in [plaats] .
De man voert geen verweer tegen het verzoek van de vrouw. De man verzoekt zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:
de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] 2016 in [plaats] , uit te spreken;
te bepalen dat de man met uitsluiting van de vrouw het huurrecht van de echtelijke woning in [adres] , mag voortzetten na de scheiding;
de vrouw te veroordelen – voor zover mogelijk bij tussenbeschikking – dat zij binnen vier weken na de beschikking van deze rechtbank voldoende verificatoire bewijsstukken aan de man moet verschaffen om de omvang van de huwelijksgemeenschap van partijen vast te stellen, en om vast te stellen of de vrouw de gemeenschap van partijen heeft benadeeld, inhoudende de volgende gegevens:
  • bankafschriften van de op haar naam staande bankrekening bij ABN AMRO ( [bankrekening 1] ), Knab ( [bankrekening 2] ) en Coinbase Ireland, waaruit het saldo op de peildatum blijkt;
  • bankafsschriften van de op haar naam staande bankrekening bij de ABN AMRO ( [bankrekening 1] ), Knab ( [bankrekening 2] ) en Coinbase Ireland vanaf 6 maanden vóór de peildatum tot aan de peildatum, waaruit blijkt wat voor bestuur de vrouw heeft gevoerd over de tot de gemeenschap van partijen gevoerde financiën;
op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat de vrouw in gebreke blijft aan het bovenstaande te voldoen,
en te bepalen dat de man nadien een periode van zes weken gelegenheid heeft om te reageren op de door de vrouw al of niet gedeelde stukken, en in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap nadere verzoeken ter afwikkeling daarvan in te dienen.
De vrouw voert – onder referte voor het verzochte onder I. en II. – verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt zij aanvullend, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ten aanzien van de schulden te bepalen dat ieder in gelijke delen draagplichtig is voor:
huur maart 2026 ad € 676,95;
huur april 2026 ad € 676,95;
aanslag bijdrage zorgverzekeringswet (aanslagnummer [aanslagnummer 1] ) ad € 1.150,- ;
aanslag bijdrage zorgverzekeringswet (aanslagnummer [aanslagnummer 2] ) ad
€ 301,-;
5. waterschapsbelasting (subjectnummer [nummer] ) ad € 522,36;
6. aanslag motorrijtuigenbelasting (aanslagnummer [aanslagnummer 3] ) ad € 231,-;
7. de gemeentebelastingen 2025 (aanslagnummer [aanslagnummer 4] ) ad € 771,40;
8. de aanslag (aanslagnummer [aanslagnummer 5] ) van Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland ad € 429,36;
9. aanslag zorgverzekering (aanslagnummer [aanslagnummer 6] ) ad € 1.044,-;
10. lnternational Card Services ad € 673,35;
11. autoverzekering (van boer [naam] ) ad € 1.730,-;
12. naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting [kenteken] (aanslagnummer: [aanslagnummer 7] ) ad € 225,-;
13. naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting [kenteken] (aanslagnummer: [aanslagnummer 8] ) ad € 302,-;
14. aanslag bijdrage zorgverzekeringswet (aanslagnummer [aanslagnummer 6] ) ad € 189.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en zij verzoeken om de echtscheiding uit te spreken. De rechtbank zal de verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.
Huurrecht
De man verzoekt om de toedeling van het huurrecht van de echtelijke woning aan hem. De vrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank zal het verzoek daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Huwelijksgemeenschap
Wettelijke algehele gemeenschap van goederen
Niet gesteld en verder ook niet gebleken is dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – stelt de rechtbank vast dat tussen partijen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dat de ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:100 BW Pro – zoals dat gold tot 1 januari 2018 – bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.
Peildatum
Als peildatum voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt op grond van artikel 1:99 lid 1 sub b BW Pro de datum van indiening van het verzoekschrift. Dat is
10 juli 2025.
Voor de waardering geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling als peildatum.
Exhibitieplicht
De man wenst in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap de bankafschriften te verkrijgen van de bankrekeningen op naam van de vrouw bij ABN AMRO, Knab en Coinbase Ireland. Hij wil de bankafschriften over de periode van zes maanden voorafgaand aan de peildatum tot en met de peildatum op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat de vrouw in gebreke blijft hieraan te voldoen. De vrouw voert verweer.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 195 van Pro het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechtbank op verzoek van de partij die daar ingevolge artikel 194 Rv Pro recht op heeft, de wederpartij bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. Uit artikel 194 Rv Pro volgt dat verzoeker voldoende belang moet hebben bij het krijgen van de gegevens, de gegevens moeten relevant zijn voor de rechtsbetrekking, waarbij de verzoeker partij is, en de verzoeker moet voldoende concreet kunnen omschrijven om welke gegevens het gaat. Verder zal aannemelijk moeten worden gemaakt dat de wederpartij over die gegevens beschikt of deze eenvoudig van een derde kan verkrijgen. De wederpartij is niet verplicht tot het geven van inzage als zij een beroep kan doen op een verschoningsrecht of als gewichtige redenen daaraan in de weg staan of sprake is van een situatie als bedoeld in lid 3 en 4 van artikel 194 Rv Pro.
Op de zitting heeft de vrouw erkend dat zij in februari 2025 geprobeerd heeft geld over te schrijven van de rekening van een stichting waarbij beide partijen betrokken waren. Dat geld heeft zij proberen over te maken naar haar vader en naar haar bankrekening bij Coinbase Ireland. De man vermoedt dat zij ook geld heeft overgeschreven van de bankrekeningen die behoren tot de gemeenschap, aangezien zij in 2023 € 20.000,- spaargeld uit de gemeenschap heeft overgemaakt aan iemand die zij via het internet had leren kennen. De vrouw stelt dat sprake is van een ‘fishing expedition’. De vrouw stelt dat de man denkt dat zij een buitenechtelijke relatie heeft (gehad) en dat hij de naam van die persoon wil achterhalen.
De rechtbank is van oordeel dat de man een gerechtvaardigd belang heeft bij inzage in de bankafschriften van de hiervoor genoemde drie bankrekeningen, zowel op de peildatum als over de zes maanden daaraan voorafgaand gelet op artikel 1:164 BW Pro. Het saldo van die bankrekeningen op de peildatum behoort immers tot de ondertussen ontbonden huwelijksgemeenschap en de man heeft feiten gesteld waaruit blijkt dat de vrouw mogelijkerwijs de gemeenschap heeft benadeeld zoals bedoeld in artikel 1:164 BW Pro. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man daarnaast aannemelijk gemaakt dat de vrouw over de bankafschriften beschikt of deze eenvoudig van een derde kan verkrijgen, nu het gaat om bankrekeningen op haar naam. Tot slot is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie als bedoeld in lid 2, 3 en 4 van artikel 194 Rv Pro.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man met betrekking tot de inzage van de bankafschriften van de vrouw toewijzen. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de vrouw binnen vier weken na de datum van deze beschikking de in het dictum genoemde bankafschriften per e-mail aan de man dient te hebben toegezonden. De rechtbank acht het noodzakelijk daaraan een dwangsom te verbinden, nu de vrouw – ondanks herhaalde verzoeken om vrijwillig aan het verzoek te voldoen – heeft geweigerd inzage te verschaffen. De rechtbank zal de dwangsom matigen tot € 50,- per dag dat de vrouw niet aan deze beslissing voldoet, met een maximum van € 5.000,-.
De rechtbank zal de man nadien in de gelegenheid stellen om binnen drie weken te reageren op de door de vrouw gedeelde stukken, zodat hij in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap eventuele nadere verzoeken ter afwikkeling daarvan kan indienen. De vrouw krijgt vervolgens de gelegenheid om daar binnen twee weken op te reageren.
Schulden
De vrouw wil dat ten aanzien van de schulden – onder 1 tot en met 14 in haar aanvullende verzoek – wordt bepaald dat ieder in gelijke delen draagplichtig is voor de schulden. De man voert verweer.
Op de zitting is gebleken dat de huur van maart en april 2026 door de man is betaald. Verder zijn partijen het erover eens dat de schulden onder 9, 10, 12, 13 en 14 ontstaan zijn na de peildatum. De man is daar niet draagplichtig voor en de rechtbank zal het verzoek van de vrouw met betrekking tot deze posten afwijzen. Ten aanzien van post 3 en 4 zijn partijen het erover eens dat deze schulden voor de peildatum zijn ontstaan. De overige posten zijn nog tussen partijen in geschil. De rechtbank zal iedere verdere beslissing ten aanzien van voormelde schulden aanhouden tot 15 augustus 2026.
Proceskosten
Omdat de rechtbank nog geen eindbeschikking zal geven, zal de rechtbank de proceskosten ook aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, gehuwd op [datum] 2016 in [plaats] ;
*
bepaalt dat de man huurder zal zijn van de woning in [adres] , met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
*
bepaalt dat de vrouw binnen vier weken na de datum van deze beschikking per e-mail aan de man inzage dient te verschaffen om de omvang van de huwelijksgemeenschap van partijen vast te stellen, en om vast te stellen of de vrouw de gemeenschap van partijen heeft benadeeld, inhoudende de volgende gegevens:
  • bankafschriften van de op haar naam staande bankrekening bij ABN AMRO ( [bankrekening 1] ), Knab ( [bankrekening 2] ) en Coinbase Ireland, waaruit het saldo op de peildatum blijkt;
  • bankafsschriften van de op haar naam staande bankrekening bij ABN AMRO ( [bankrekening 1] ), Knab ( [bankrekening 2] ) en Coinbase Ireland vanaf 6 maanden vóór de peildatum tot aan de peildatum, waaruit blijkt wat voor bestuur de vrouw heeft gevoerd over de tot de gemeenschap van partijen gevoerde financiën;
een en ander op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag, met een maximum van € 5.000,- dat de vrouw in gebreke blijft aan het bovenstaande te voldoen;
*
stelt de man in de gelegenheid om uiterlijk binnen zeven weken na de beschikkingsdatum te reageren op de door de vrouw gedeelde stukken, zodat hij in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap eventuele nadere verzoeken ter afwikkeling daarvan kan indienen; de rechtbank stelt de vrouw vervolgens in de gelegenheid om daar binnen twee weken op te reageren;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing
over de schuldenposten genoemd in het aanvullend verzoek van de vrouw en de proceskostenaan
tot 15 augustus 2026 pro forma;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 juni 2026.