ECLI:NL:RBDHA:2026:18260

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL25.34834 V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep asielaanvraag Syrië moratorium

Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van 7 november 2025, waarin de rechtbank het beroep van opposant kennelijk niet-ontvankelijk had verklaard wegens een prematuur ingediende ingebrekestelling. Het beroep ging over het niet tijdig beslissen door de minister op de asielaanvraag van opposant van 5 december 2023.

De rechtbank had geoordeeld dat de beslistermijn door het besluit- en vertrekmoratorium voor Syrië was verlengd tot 5 september 2025, waardoor de ingebrekestelling van 1 juli 2025 te vroeg was. Opposant betwistte deze termijn en stelde dat de oorspronkelijke beslistermijn van zes maanden of een termijn van twaalf maanden gehanteerd moest worden.

In het verzet beoordeelt de rechtbank of het terecht was dat zonder zitting uitspraak werd gedaan. De rechtbank concludeert dat dit onterecht was, omdat een zitting mogelijk tot een andere uitkomst had geleid. De rechtbank verklaart het verzet gegrond, vernietigt de eerdere uitspraak en hervat het onderzoek in de stand van zaken voorafgaand aan die uitspraak.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van de proceskosten van opposant, vastgesteld op €467,-. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt en het onderzoek wordt hervat.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34834 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], V-nummer: [V-nummer], opposant [1]
(gemachtigde: [gemachtigde]),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2025 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 7 november 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het beroep van opposant ging over het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn asielaanvraag van 5 december 2023.
De uitspraak van 7 november 2025
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de ingebrekestelling prematuur was. Opposant heeft de minister bij brief van 1 juli 2025 medegedeeld dat hij in gebreke was tijdig een besluit te nemen. De beslistermijn van de aanvraag van opposant liep in beginsel tot en met 5 juni 2024. Met ingang van 11 december 2024 gold voor Syrië een besluit- en vertrekmoratorium [3] , waarbij de wettelijke beslistermijn van lopende asielaanvragen en asielaanvragen die tijdens het moratorium werden ingediend, is verlengd met een periode van een jaar tot ten hoogste 21 maanden. Volgens de rechtbank was de beslistermijn door het besluitmoratorium daarom op 5 september 2025 verstreken.
De verzetsgronden van opposant
6. Opposant heeft verzet gedaan, omdat hij het niet eens is met de uitspraak van 7 november 2025. Volgens opposant is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat de belsistermijn zou lopen tot 5 september 2025. Primair voert opposant aan dat het verstrijken van het besluitmoratorium betekent dat de verlenging vervalt en de oorspronkelijke beslistermijn van zes maanden geldt. Subsidiair voert opposant aan er een beslistermijn van twaalf maanden moet worden gehanteerd.
De regels in verzet
7. Verzet gaat over de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van - in dit geval - het beroep van opposant. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de rechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank is van oordeel in de uitspraak van 7 november 2025 ten onrechte is geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Er is daarom ten onrechte uitspraak gedaan zonder opposant op zitting te horen. Het is namelijk niet uitgesloten dat een zitting in het licht van het vorenstaande tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Bij uitspraak van 29 januari 2026 [4] heeft deze rechtbank geoordeeld dat de oorspronkelijke beslistermijn van zes maanden met de ingang van het besluit- en vertrekmoratorium voor Syrië met een jaar is verlengd. In beginsel geldt dus voor alle asielaanvragen die vóór en tijdens het moratorium zijn ingediend een beslistermijn van bij elkaar opgeteld achttien maanden. In de uitspraak van 7 november 2025 heeft de rechtbank een andere beslistermijn gehanteerd.

Conclusie en gevolgen

9. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 7 november 2025 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand van zaken waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door opposant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskostenbestuursrecht voor de
door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (0,5 punt voor het
indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Als aan opposant een toevoeging is verleend, moet de proceskostenvergoeding worden
betaald aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet gegrond;
  • verklaart de uitspraak van 7 november 2025 vervallen;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van opposant tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Staatscourant van 13 december 2024, nr. 41538.
4.Zaaknummers: NL25.43751 en NL25.63389, nog niet gepubliceerd.