ECLI:NL:RBDHA:2026:1825

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
NL25.40553
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 3.75 Vreemdelingenbesluit 2000Richtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening machtiging voorlopig verblijf als gezinslid

Verzoekster, een Ghanees staatsburger, heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid. Deze aanvraag werd afgewezen door de minister van Asiel en Migratie, en het bezwaar van verzoekster werd ongegrond verklaard. Verzoekster stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om de uitkomst van het beroep in Nederland af te wachten.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek buiten zitting en constateerde dat verzoekster niet voldeed aan het middelenvereiste, omdat de overgelegde arbeidsovereenkomst slechts tot 28 februari 2026 liep en het inkomen niet duurzaam was zoals vereist. Tevens was sprake van een terugkeerbesluit tegen verzoekster, en verweerder had niet gereageerd op het verzoek om een verweerschrift.

Gelet op de omstandigheden en het ontbreken van een redelijke kans van slagen van het beroep, wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een machtiging tot voorlopig verblijf als gezinslid wordt afgewezen wegens onvoldoende duurzaam inkomen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40553

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 20 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig (mvv) verblijf ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft op 19 maart 2025 beroep (NL25.12970) ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft verder op 26 augustus 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat zij de uitkomst van het beroep in Nederland mag afwachten.
Op 20 januari 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd om met urgentie op het verzoek om een voorlopige voorziening te beslissen.
Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van de voorzieningenrechter om binnen een week een verweerschrift in te dienen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Verzoekster is geboren op [geboortedag] 1991 en heeft de Ghanese nationaliteit.
2. Vanwege de inval door Rusland in Oekraïne, waar verzoekster een tijdelijk verblijfsrecht had, is verzoekster naar Nederland gekomen en heeft zij tijdelijke bescherming gekregen zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG. In het besluit van 8 juli 2025 heeft verweerder de tijdelijke bescherming van verzoekster beëindigd en tegen verzoekster een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Tegen dit besluit loopt een afzonderlijk beroep met zaaknummer NL25.35974.
3. Op 21 februari 2024 heeft verzoekster bij verweerder een aanvraag ingediend om verlening van een mvv voor verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] . In het besluit van 13 mei 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoekster daartegen ongegrond verklaard.
4. Verzoekster is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert in essentie aan dat zij, anders dan het bestreden besluit veronderstelt, voldoet aan het middelenvereiste. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een arbeidsovereenkomst van 1 augustus 2025 en een salarisstrook van de maand augustus 2025 overgelegd. Daarnaast voert verzoekster aan dat zij op 14 januari 2026 is uitgenodigd voor een vertrekgesprek op 3 februari 2026 met de Dienst Terugkeer & Vertrek.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
5. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
6. In de omstandigheden dat verzoekster door verweerder is uitgenodigd voor een vertrekgesprek, en dat verweerder niet heeft gereageerd op het verzoek van de voorzieningenrechter om een verweerschrift in te dienen en daarbij in ieder geval in te gaan op de vraag in hoeverre het voornemen bestaat om verzoekster vóór de behandeling van het beroep uit Nederland te verwijderen, ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om de vereiste onverwijlde spoed aan te nemen. Artikel 8:83, vierde lid, van de Awb biedt dan de mogelijkheid om een zitting achterwege te laten.
7. Voorlopig oordelend bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat verzoeksters beroep tegen het bestreden besluit een redelijke kans van slagen heeft. De door haar overgelegde arbeidsovereenkomst eindigt op 28 februari 2026. Hoewel uit de door verzoekster overgelegde salarisstrook van augustus 2025 volgt dat zij in die maand een inkomen heeft gehad dat boven het normbedrag van het middelenvereiste ligt, is niet gebleken van een duurzaam inkomen zoals bedoeld in artikel 3.75 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
8. De conclusie is dat het verzoek moet worden afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 3 februari 2026 door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.