ECLI:NL:RBDHA:2026:18223

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL25.36492
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMBesluit proceskosten bestuursrechtParagraaf B7/3.8.1 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf in kader nareis deels gegrond

Eisers, Syrische nationaliteit, dienden een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Verweerder wees deze aanvraag af omdat eiser 1 niet onder het jongvolwassenenbeleid zou vallen en er geen sprake zou zijn van bijkomende afhankelijkheid, en stelde dat eiser 2 geen procesbelang meer had.

De rechtbank oordeelt dat het beroep van eiser 2 niet-ontvankelijk is omdat hij door zijn asielprocedure geen gunstigere positie kan verkrijgen. Voor eiser 1 is het beroep gegrond verklaard omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser 1 en zijn ouders niet altijd samenwoonden, dat eiser 1 in zijn eigen onderhoud voorziet, en waarom er geen bijkomende afhankelijkheid zou zijn.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het eiser 1 betreft en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen. Tevens worden de proceskosten en griffierecht ten gunste van eiser 1 toegewezen.

Uitkomst: Het beroep van eiser 1 is gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, het beroep van eiser 2 is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.36492

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[ eiser 1] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiser 1

[eiser 2], V-nummer: [V-nummer 2] , eiser 2
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. E.A.M. Verstelle),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.D. Ancion).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 10 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 juli 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Eisers hebben gereageerd op het verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referent] (referent), de gemachtigde van eisers, A. Yasin als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser 1 is geboren op [geboortedatum 1] 1996 en eiser 2 is geboren op [geboortedatum 2] 2002. Eisers hebben de Syrische nationaliteit. Referent is het broertje van eisers en heeft namens hen een aanvraag gedaan voor een mvv in het kader van nareis. Referent heeft eenzelfde aanvraag gedaan voor zijn ouders en een andere broer ( [naam] ), die inmiddels in het bezit zijn van een mvv en in Nederland verblijven. Eiser 2 is later zonder mvv naar Nederland gereisd en heeft hier een asielaanvraag gedaan. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser 2 geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van het beroep.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat er volgens verweerder geen sprake is van familie- of gezinsleven [1] tussen eisers en hun ouders. Eisers vallen namelijk niet onder het jongvolwassenenbeleid en tussen eisers en hun ouders is er ook geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst voeren eisers aan dat hetgeen zij hebben gesteld in de onderhavige procedure geldt als gronden van het beroep en dat de stukken uit de procedure als overgenomen en ingelast moeten worden beschouwd. Ten tweede heeft verweerder ten onrechte gesteld dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is op eisers. Ten derde heeft verweerder ten onrechte gesteld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eisers en hun ouders. Ten slotte had verweerder een belangenafweging moeten maken in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank verklaart het beroep van eiser 2 niet-ontvankelijk. De rechtbank geeft eiser 1 in deze zaak gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusies is gekomen.
Het beroep van eiser 2
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser 2 niet-ontvankelijk is, omdat hij geen belang meer heeft bij de inhoudelijke behandeling van zijn beroep. Eiser 2 kan door middel van deze procedure namelijk niet in een gunstigere positie komen dan bij zijn asielprocedure. De gemachtigde van eisers heeft tijdens de zitting aangevoerd dat eiser 2 wel procesbelang heeft, omdat eiser met zijn mvv aanvraag niet alleen beoogde om Nederland in te reizen maar ook om een verblijfsvergunning te krijgen voor gezinshereniging. De rechtbank volgt dit niet, omdat eiser 2 in zijn asielprocedure de gelegenheid heeft om voor een afgeleide asielvergunning in aanmerking te komen door verweerder te verzoeken om zijn aanvraag te toetsen aan de criteria van het nareisbeleid.
Het beroep van eiser 1
Jongvolwassenenbeleid
6. Volgens het jongvolwassenenbeleid [2] neemt verweerder familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen ouder(s) en het meerderjarig kind aan als het meerderjarig kind jongvolwassen is, met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft, niet in zijn eigen onderhoud voorziet en geen zelfstandig gezin heeft gevormd door het aangaan van een huwelijk of relatie. Er hoeft dan geen sprake te zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. [3] Uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 29 mei 2024 [4] volgt verder dat als het meerderjarig kind noodgedwongen zelfstandig is geworden, verweerder dit niet zomaar mag tegenwerpen bij de beoordeling of het meerderjarig kind feitelijk tot het gezin is blijven behoren. Verweerder mag dit enkel tegenwerpen als dat kind zich zelfstandig en moeiteloos handhaaft. Hieraan is voldaan wanneer het meerderjarig kind zelfstandig is gaan wonen en er ten tijde van de mvv-aanvraag in is geslaagd zijn of haar leven zelfstandig vorm te geven. Hieraan is niet voldaan als een meerderjarig kind slechts noodgedwongen de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te kunnen houden.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser 1 niet valt onder het jongvolwassenenbeleid. Allereerst overweegt de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser 1 en zijn ouders niet altijd hebben samengewoond. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit staat dat eiser 1 niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij altijd in gezinsverband heeft samengeleefd met zijn ouders, omdat hij enige tijd zonder zijn ouders in Turkije heeft verbleven en dat daaruit kan worden afgeleid dat hij zich in het dagelijks leven kan redden zonder zijn ouders. [5] Ook staat in het bestreden besluit dat de omstandigheid dat eiser 1 vooruit is gestuurd naar Turkije, duidt op een aanzienlijke mate van zelfstandigheid. Tijdens de zitting heeft verweerder gezegd dat verweerder aanneemt dat eiser 1 en zijn ouders hebben samengewoond in Turkije, maar dat de separate reisbeweging van Syrië naar Turkije wijst op zelfstandigheid. Verweerder heeft tijdens de zitting benadrukt dat voor de samenwoning vooral van belang is dat er sprake is van een vrijwillige scheiding op het moment dat de ouders zonder eiser 1 vertrokken vanuit Turkije naar Nederland. De rechtbank vat hetgeen verweerder tijdens de zitting naar voren heeft gebracht zo op dat verweerder het standpunt uit het bestreden besluit dat eiser 1 en zijn ouders niet altijd hebben samengewoond omdat eiser 1 eerder dan zijn ouders naar Turkije is vertrokken heeft verlaten en daarvan in de plaats heeft gesteld dat er niet altijd sprake is geweest van samenwoning omdat de ouders vrijwillig zijn vertrokken naar Nederland, waarmee de samenwoning is verbroken. De rechtbank vindt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de ouders daadwerkelijk vrijwillig Turkije hebben verlaten om naar Nederland uit te reizen. Hierbij is van belang twee andere kinderen van de ouders toen al in Nederland verbleven en dat de aan de ouders toegewezen machtigingen tot voorlopig verblijf beperkt geldig waren.
6.2.
Ten tweede oordeelt de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser 1 in zijn eigen onderhoud voorziet. Eiser 1 heeft aangevoerd dat het toetsingskader is dat hij op het peilmoment in zijn eigen onderhoud voorzag, niet of hij eerder in zijn eigen onderhoud voorzag of in de toekomst in zijn eigen onderhoud kan voorzien. Verweerder heeft gewezen op de tegenstrijdige verklaringen en gesteld dat er geen reden is die eiser 1 zou belemmeren om in zijn eigen onderhoud te voorzien. Kennelijk heeft verweerder veel belang gehecht aan de verklaring van referent tijdens de hoorzitting dat eiser 1 karton verzamelt en de huur kan betalen. De rechtbank kan niet volgen dat hieruit kan worden geconcludeerd dat eiser 1 op het moment van de nareisaanvraag in zijn eigen onderhoud voorziet. Deze verklaring is afgelegd op de hoorzitting in 2025 dus kan niet worden geconcludeerd dat dit ziet op het peilmoment.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er tussen eiser 1 en zijn ouders geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Nog daargelaten of eiser 1 aan het jongvolwassenenbeleid voldoet, heeft verweerder gelet op wat eerder is overwogen onder het kopje ‘Jongvolwassenenbeleid’ de aspecten van samenwoning en financiële afhankelijkheid onvoldoende in het bestreden besluit betrokken.
Overige beroepsgronden
8. Nu het beroep al gegrond is omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser 1 niet onder het jongvolwassenenbeleid valt en dat er tussen hem en zijn ouders geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep van eiser 2 is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft, voor zover het betrekking heeft op eiser 2.
10. Het beroep van eiser 1 is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd, voor zover het betrekking heeft op eiser 1. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiser 1 met inachtneming van deze uitspraak.
11. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door
eiser 1 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-. [6]
12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser 1 het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep van eiser 2 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiser 1 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op eiser 1;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser 1 met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser 1 tot een bedrag van € 1.868,-;
- bepaalt dat verweerder het door eiser 1 betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
2.Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.Werkinstructie 2026/6 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:214.
5.Zie pagina 6 van het bestreden besluit.
6.1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1.