ECLI:NL:RBDHA:2026:1819

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
NL26.3315
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 Vw 2000Art. 59a Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring wegens redelijk vermoeden van illegaal verblijf

De minister van Asiel en Migratie legde op 15 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 27 januari 2026 via een beeldverbinding.

Eiser voerde aan dat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond, waardoor zijn staandehouding onrechtmatig was. De rechtbank oordeelde dat op basis van het proces-verbaal van de staandehouding en de integrale controle een redelijk vermoeden van illegaal verblijf kon worden aangenomen.

De minister stelde dat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd was vanwege zware gronden, waaronder het niet beschikken over een identiteitsdocument en het onttrekken aan toezicht, en lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats. Eiser betwistte deze gronden, maar de rechtbank stelde vast dat de zware gronden feitelijk juist waren en voldoende om de maatregel te dragen.

De rechtbank zag geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3315

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Was sprake van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf?
1. Eiser voert aan dat geen sprake is geweest van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, waardoor zijn staandehouding op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 voorafgaand aan de inbewaringstelling onrechtmatig is geweest.
1.1.
Volgens paragraaf A2/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 mag een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf mede op basis van ervarings- en omgevingsgegevens worden aangenomen als sprake is van aanwijzingen uit eigen onderzoek van de politie of aanwijzingen die door de politie zijn verkregen bij de controle van persoonsgegevens in het kader van de uitoefening van politietaken.
Uit het proces-verbaal van staandehouding van 15 januari 2026 blijkt dat eiser tijdens een integrale controle werd herkend als een overlastgevende illegale vreemdeling. [1] De rechtbank is van oordeel dat op grond hiervan een redelijk vermoeden van illegaal verblijf kon worden aangenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
Eiser heeft zware gronden 3a en 3k en lichte gronden 4b, 4c en 4d betwist. Eiser heeft aangevoerd dat de minister zware grond 3a niet aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen, aangezien eiser een asielaanvraag in Nederland heeft gedaan. Daarnaast voert eiser aan dat zware grond 3k hem niet kan worden tegengeworpen, omdat hij wel wil meewerken aan zijn overdracht aan Kroatië. Eiser heeft verder aangevoerd dat de minister lichte grond 4b niet aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen, omdat hij meerdere asielaanvragen heeft ingediend. Ook kan lichte grond 4c hem niet worden tegengeworpen, aangezien eiser verblijft in een asielzoekerscentrum. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat de minister lichte grond 4d niet aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen. Eiser ontvangt van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers een toelage.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn zware gronden 3a en 3b feitelijk juist. De zware grond 3a is feitelijk juist, omdat eiser niet beschikt over een identiteitsdocument of een geldig visum. Eiser heeft verklaard geen paspoort te hebben en geen actie te hebben ondernomen om een vervangend reisdocument te verkrijgen. [2] Verder is de zware grond 3b feitelijk juist, omdat eiser op 6 en 26 november 2025 is vertrokken met onbekende bestemming. Hiermee heeft hij zich enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken.
2.3.
De zware gronden 3a en 3b zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000, te kunnen dragen. De rechtbank beoordeelt de betwiste zware grond 3k en de betwiste lichte gronden 4b, 4c en 4d daarom niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie M105 Proces-Verbaal staandehouding overbrenging overdracht ex art. 50 Vw Pro 2000, p. 1.
2.Zie M110 Proces-Verbaal van gehoor bij bewaring-terugkeerbesluit en of inreisverbod, p. 4 en 5.
3.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).