ECLI:NL:RBDHA:2026:18183

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL26.26804
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 29 DublinverordeningArt. 43 AMBVArt. 46 AMBVArt. 84 AMBV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verlenging overdrachtstermijn in Dublinprocedure bij strafrechtelijke detentie

Eiser, van Tunesische nationaliteit, vroeg asiel aan in Nederland op 5 september 2025. De minister besloot de aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Bulgarije verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De minister verlengde de overdrachtstermijn tot twaalf maanden vanwege de strafrechtelijke detentie van eiser.

Eiser stelde dat de minister de termijn ten onrechte opnieuw verlengde, omdat deze al eerder was verlengd en de Dublinverordening slechts een maximale verlenging van één jaar toestaat. De rechtbank oordeelde dat het overgangsrecht van de nieuwe Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) van toepassing is en dat de verlenging beoordeeld moet worden op basis van de AMBV.

De rechtbank stelde vast dat de overdrachtstermijn pas ingaat na een definitieve beslissing op het beroep tegen het overdrachtsbesluit, en dat de voorlopige voorziening die eiser kreeg de termijn opschortte. Hierdoor was de eerdere verlenging niet effectief. De minister mocht de termijn daarom opnieuw verlengen tot twaalf maanden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de verlenging van de overdrachtstermijn tot twaalf maanden.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.26804
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D. van Elp),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M.W.A. van Hoof).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 26 maart 2026. Met dat besluit heeft de minister de termijn voor de overdracht van eiser aan Bulgarije in het kader van de Dublinverordening tot twaalf maanden verlengd, zodat eiser tot en met 2 februari 2027 kan worden overgedragen.
2. Eiser heeft tegen de verlengingsbesluit beroep ingesteld.
3. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigde van de minister en R.B. Schmitt als tolk.

Overwegingen

4. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.
5. Eiser heeft op 5 september 2025 asiel in Nederland aangevraagd. De minister heeft op 17 oktober 2025 de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen,1 omdat volgens de minister Bulgarije op grond van de Dublinverordening2 verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Bulgarije heeft de claim van Nederland geaccepteerd. De minister heeft in het bestreden besluit van 11 mei 2026 de overdrachtstermijn verlengd tot twaalf maanden, tot en met 2 februari 2027, overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening, omdat eiser in strafrechtelijke detentie zit. Eiser is het niet eens met de verlenging van de overdrachtstermijn en heeft beroep ingesteld.
1. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingwet 2000 (Vw).
2 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
6. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit van 26 maart 2026 aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toepasselijk recht
8. Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) in werking getreden.3 Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening4 op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.
AMBV van toepassing
9. Het overgangsrecht van artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Dit overgangsrecht is niet van toepassing omdat het in deze zaak gaat om de verlenging van de overdrachtstermijn en niet over de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. De Dublinverordening is daarom niet van toepassing.
10. Omdat het overgangsrecht niet van toepassing is, geldt dat de AMBV onmiddellijke werking heeft. De verlenging van de overdrachtstermijn moet daarom beoordeeld worden op basis van de AMBV. De artikelen die van belang zijn voor de beoordeling van de verlenging van de overdrachtstermijn zijn artikel 43, derde lid en artikel 46, eerste en tweede lid. Deze artikelen komen, voor zover van belang, overeen met artikel 27, derde en vierde lid, respectievelijk 29, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening.

Mag de minister de overdrachtstermijn verlengen tot en met 2 februari 2027?

11. Eiser stelt dat de minister de overdrachtstermijn ten onrechte nogmaals heeft verlengd. De minister heeft op 19 november 2025 de overdrachtstermijn al verlengd met een jaar wegens de strafrechtelijke detentie van eiser. Hierna heeft de minister getracht eiser over te dragen op 5 januari 2026. Deze overdracht is niet doorgegaan omdat de rechtbank op 2 januari 2026 een voorlopige voorziening heeft toegewezen,5 omdat eisers belang om het beroep in Nederland af te wachten groter was dan het belang van de minister bij overdracht. Dat de minister hierna met het bestreden besluit de overdrachtstermijn opnieuw heeft verlengd met een jaar omdat eiser in strafrechtelijke detentie zit, kan volgens eiser niet op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Uit de tekst van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening blijkt namelijk dat de overdrachtstermijn tot maximaal een jaar kan worden verlengd.
12. Het beoordelingskader wordt gevormd door artikel 43, derde lid, en artikel 46, eerste en tweede lid, van de AMBV. Omdat de inhoud van de artikelen over de opschorting van de uitvoering van een overdrachtsbesluit en de verlenging van de overdrachtstermijn,
3 EU 2024/1351 en EU 2025/90929 rectificatie.
4 EU 604/2013.
5 NL25.63836.
voor zover van belang in deze zaak, niet gewijzigd is, blijft de uitleg van het Hof in de arresten van 22 september 20226 en 30 maart 20237 van artikel 29, eerste lid, en artikel 27, derde en vierde lid, van de Dublinverordening van belang.
13. Artikel 46, eerste lid, van de AMBV bepaalt dat wanneer de opschorting van de uitvoering van het overdrachtsbesluit voortvloeit uit artikel 43, derde lid, van de AMBV
de overdrachtstermijn niet begint te lopen vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of de kennisgeving van terugname, maar, in afwijking van die algemene regel, vanaf de definitieve beslissing op het beroep of bezwaar tegen dat overdrachtsbesluit. Dit betekent dat de overdrachtstermijn pas ingaat zodra de beslissing op een beroep of bezwaar tegen een overdrachtsbesluit definitief is geworden, mits de uitvoering van het overdrachtsbesluit is opgeschort op grond van artikel 43, derde lid, van de AMBV.
14. De rechtbank oordeelt dat de minister de overdrachtstermijn heeft mogen verlengen tot één jaar. De rechtbank stelt vast dat op 2 januari 2026 een voorlopige voorziening is toegewezen, hangende eisers beroep tegen het overdrachtsbesluit van 17 oktober 2025. Gezien hetgeen is overwogen onder 13, gaat de overdrachtstermijn pas in vanaf het moment dat er een uitspraak is gedaan op het beroep tegen het overdrachtsbesluit. De rechtbank heeft dit beroep op 2 februari 2026 ongegrond verklaard.8 De overdrachtstermijn is daarom ingegaan op 2 februari 2026. Aangezien eiser in strafrechtelijke detentie zit, heeft de minister deze overdrachtstermijn in overeenstemming met artikel 46, tweede lid, van de AMBV terecht verlengd tot een jaar, dus tot en met 2 februari 2027.
15. Eisers stelling dat de minister de overdrachtstermijn niet nog een keer mag verlengen omdat hij deze al had verlengd in zijn besluit van 19 november 2025 vanwege zijn strafrechtelijke detentie, slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat het claimakkoord van eiser dateert van 9 oktober 2025. Dit betekent dat de (niet-verlengde) overdrachtstermijn van zes maanden nog niet was verstreken op het moment dat deze termijn wegens een toegewezen voorlopige voorziening op 2 januari 2026 werd opgeschort. Hierdoor is de overdrachtstermijn niet verlengd als gevolg van het eerdere verlengingsbesluit. Het daarmee beoogde rechtsgevolg is immers niet ingetreden als gevolg van de toegewezen voorlopige voorziening. De minister kan de overdrachtstermijn met het bestreden besluit daarom verlengen naar een jaar. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

16. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de minister de overdrachtstermijn terecht heeft verlengd.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6 C-245/21 en C-248/21, ECLI:EU:C:2022:709.
7 C-556/21, ECLI:EU:C:2023:272 en C-338/21, ECLI:EU:C:2023:269.
8 NL25.50891.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 juni 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.