ECLI:NL:RBDHA:2026:18176
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- F.P. Heijne
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens andere verblijfsvergunning
Verzoeker had beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning EU langdurig ingezetene werd afgewezen. Tevens was er een verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker trok deze procedures in nadat hij een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel 'studie' had verkregen op basis van een afzonderlijke aanvraag.
De rechtbank heeft beoordeeld of de intrekking van het beroep en de voorlopige voorziening het gevolg was van een tegemoetkoming van de minister aan het beroep van verzoeker zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank concludeerde dat dit niet het geval was omdat de verleende verblijfsvergunning betrekking had op een andere aanvraag en een ander verblijfsdoel.
Verzoeker stelde dat de materiële uitkomst leidend moest zijn en dat de intrekking van de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit ook een tegemoetkoming vormde. De rechtbank verwierp dit standpunt en oordeelde dat de wettelijke tekst en parlementaire geschiedenis geen ruimte bieden voor een bredere interpretatie van artikel 8:75a Awb.
Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af als kennelijk ongegrond. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter zonder zitting en is openbaar bekendgemaakt.
Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen tegemoetkoming aan het beroep is vastgesteld.