ECLI:NL:RBDHA:2026:1814

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
23/1391
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking omgevingsvergunning

Verzoeker had beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leiden om een omgevingsvergunning voor een appartementencomplex te verlenen. Het college verklaarde het bezwaar van verzoeker ongegrond. Later trok het college de vergunning in op verzoek van de vergunninghouder.

Naar aanleiding van de intrekking trok verzoeker het beroep in en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank stelde het college in de gelegenheid te reageren, maar het college reageerde niet.

De rechtbank oordeelde dat intrekking van de vergunning op verzoek van de vergunninghouder niet gelijkstaat aan tegemoetkomen aan het beroep van verzoeker. Omdat het besluit op andere gronden dan die van verzoeker was genomen, was er geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Het verzoek werd daarom afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af omdat de intrekking van de vergunning niet tegemoetkomt aan het beroep van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1391

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J. Roose),
en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden

(gemachtigde: J. van Egmond).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij] B.V.te Kwintsheul (vergunninghouder).
(gemachtigde: mr. A. Vreugdenhil)

Inleiding

1. In het besluit van 9 januari 2023 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen de verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een appartementencomplex op de [adres] ongegrond verklaard.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
In het besluit van 10 december 2025 heeft het college de verleende omgevingsvergunning ingetrokken op verzoek van vergunninghouder.
1.3.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
1.4.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft hierop niet gereageerd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]
2.1.
Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2.2.
Van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb is sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd.
2.3.
Uit de e-mail van 3 december 2025 van vergunninghouder en de e-mail van het college van 4 december 2025 blijkt dat de intrekking het gevolg is van het op 3 december 2025 daartoe ingediend schriftelijk verzoek van vergunninghouder. Het besluit is dus genomen op andere gronden dan verzoeker heeft aangevoerd in zijn beroepschrift. Het college is daarom niet aan het beroep van verzoeker tegemoetgekomen, als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het college te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).