ECLI:NL:RBDHA:2026:18079

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
C/09/704522 / KG ZA 26-464
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming zorgregeling met dwangsom na echtscheiding en omgangsconflict

De man en de vrouw, voormalig gehuwd en ouders van twee minderjarige kinderen, zijn in geschil geraakt over de nakoming van een zorgregeling die door de rechtbank was vastgesteld. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw, terwijl de man omgangsrecht heeft volgens een gedetailleerde regeling uit oktober 2024.

De man klaagt dat de vrouw de omgang frustreert door de kinderen niet conform de regeling mee te geven, wat de relatie met de kinderen schaadt. De vrouw stelt op haar beurt dat de man de kinderen onregelmatig ophaalt en niet consequent de belafspraken nakomt, wat de voorspelbaarheid voor de kinderen ondermijnt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat beide partijen de zorgregeling moeten naleven en legt een dwangsom op van €100 per overtreding, met een maximum van €2.000, om naleving te stimuleren. Tevens zijn afspraken gemaakt over communicatie en omgang die niet in het vonnis zijn opgenomen maar wel bindend geacht worden.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en benadrukt het belang van samenwerking en het vermijden van conflicten in het belang van de kinderen.

Uitkomst: Beide ouders worden veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling met een dwangsom van €100 per overtreding, maximaal €2.000.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/704522 / KG ZA 26-464
Vonnis in kort geding van 2 juni 2026
in de zaak van
[de man]te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. N. Bagci-Çiçek te ’s-Gravenhage,
tegen:
[de vrouw]te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. M.W. Kuiper te ’s-Gravenhage.
Partijen worden in het navolgende respectievelijk ‘de man’ en ‘de vrouw’ genoemd.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door gedaagde overgelegde conclusie van antwoord tevens houdende een eis in reconventie met producties;
- de door eiser overgelegde nadere producties van 18 mei 2026.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
1.3.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [dag 1] 2016 tot [dag 2] 2023. Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats 2] .
2.2
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit. De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.3.
Bij beschikking van 22 oktober 2024 heeft de rechtbank Den Haag een zorgregeling vastgesteld in die zin dat:
- de kinderen – zo lang de man niet over eigen woonruimte beschikt – bij de man zijn:
 op zaterdag 5 en zondag 6 oktober 2024 van 11.00 uur tot 17.00 uur;
 op zaterdag 19 oktober en zondag 20 oktober;
 tijdens de herfstvakantie, op vrijdag 25 oktober 2024, waarbij de man de kinderen uit school haalt tot 17.00 uur, alsmede op zaterdag 26 oktober en zondag 27 oktober 2024 van 11.00 uur tot 17.00 uur;
 op zaterdag 9 november en zondag 10 november van 11.00 uur tot 17.00 uur;
 op zaterdag 22 november en zondag 23 november van 11.00 uur tot 17.00 uur;
 op zaterdag 7 december en zondag 8 december van 11.00 uur tot 17.00 uur;
 tijdens de kerstvakantie, op vrijdag 20 december 2024, waarbij de man de kinderen uit school haalt tot 17.00 uur, alsmede op zaterdag 21 december en zondag 22 december 2024 van 11.00 uur tot 17.00 uur;
 op zaterdag 4 januari 2025 en zondag 5 januari 2025 van 11.00 uur tot 17.00 uur;
 vanaf het weekend van 4 januari en 5 januari 2025 om de week in het weekend van 11.00 uur tot 17.00 uur,
 vanaf het weekend van 4 en 5 januari 2025 de ouders in onderling overleg overeenkomen op welke vrijdagen de man de kinderen van school ophaalt;
wanneer de man over eigen woonruimte beschikt overnachten de kinderen bij de man wanneer zij bij hem verblijven.
  • de ouders ten aanzien van de feest- en vakantiedagen na 5 januari 2024 in onderling overleg tot een verdeling van de feest- en vakantiedagen komen, waarbij de kinderen vanaf de meivakantie ten minste een week van de vakanties bij de man zijn.
  • de man de kinderen iedere week op woensdag en om de week op zondag (tijdens het weekend dat de kinderen bij de vrouw zijn) om 18.00 uur belt.

3.Het geschil

in conventie
3.1
De man vordert – zakelijk weergegeven – de vrouw te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2024 onder betaling van een dwangsom aan de man van € 100,- voor iedere keer dat de vrouw de zorgregeling niet nakomt, tot een maximum van € 2.000,-.
3.2
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De omgang tussen de man en de kinderen vindt sinds 4 december 2025 sporadisch plaats nu de vrouw weigert de kinderen conform de regeling mee te geven. Volgens de man frustreert de vrouw de regeling en daarmee de band tussen de man en de kinderen. Sinds de omgang is verminderd is een verandering te zien in het gedrag en de houding van de kinderen tegenover de man waardoor de kinderen soms niet mee willen met de man. Volgens de man heeft de vrouw juist de plicht om de kinderen te stimuleren om omgang te hebben met de man. De keuze om omgang te hebben kan gelet op de leeftijd van de kinderen niet bij hen worden neergelegd.
3.3
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4
de vrouw vordert – zakelijk weergegeven – de man te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2024 onder betaling van een dwangsom aan de man van € 100,- voor iedere keer dat de man de zorgregeling niet nakomt, tot een maximum van € 2.000,-.
3.5
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De kinderen zijn gebaat bij duidelijkheid en voorspelbaarheid, maar sinds partijen in 2023 uit elkaar zijn gegaan loopt de zorgregeling niet goed. Volgens de vrouw haalt de man de kinderen op wanneer het hem uitkomt en komt de man soms in het geheel niet opdagen. De man geeft dan via Whatsapp berichten aan dat hij de kinderen vanwege werk, ziekte dan wel een andere reden niet kan komen ophalen. Ook ten aanzien van de belregeling belt de man wanneer het hem uitkomt. De vrouw is van mening dat wanneer de regeling structureel wordt nagekomen ook de weerstand van de kinderen zal verminderen.
3.6
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

in conventie en reconventie
4.1
Uit de stukken en op de zitting is gebleken dat de man en de vrouw beiden nakoming van de zorgregeling vorderen. Nu beide partijen het met elkaar eens zijn dat de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2024 moet worden nagekomen zal de voorzieningenrechter de man en de vrouw veroordelen tot nakoming van de zorgregeling.
4.2
De voorzieningenrechter vindt in dit geval oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, aangewezen voor beide ouders. Het is duidelijk geworden dat de zorgregeling al een gehele tijd niet structureel wordt nagekomen, maar niet is gebleken dat dit uitsluitend aan één van de beide ouders te wijten is. De voorzieningenrechter zal daarom de over en weer gevorderde dwangsom van € 100,- voor iedere keer dat de man en/of de vrouw de zorgregeling niet nakomt toewijzen. De dwangsom zal worden gemaximeerd tot een bedrag van € 2.000,-.
4.3
In het licht van de gelijke vorderingen van partijen zijn op de zitting verschillende dilemma’s besproken waar partijen tegen aan lopen. Partijen hebben daardoor het volgende met elkaar afgesproken:
  • de omgang tussen de man en de kinderen gaat altijd door;
  • de ouders kunnen in onderling overleg van de zorgregeling dan wel de belregeling afwijken zonder een dwangsom te verbeuren;
  • wanneer de kinderen volgens de zorgregeling bij de man zijn, beslist de man wat hij in die tijd met de kinderen onderneemt. Wanneer de kinderen volgens de zorgregeling bij de vrouw zijn dan beslist de vrouw wat zij met de kinderen onderneemt;
  • in de tijd dat de kinderen bij de ene ouder zij en de andere ouder bellen met een probleem, moet deze ouder bij de kinderen aangeven dat de ouder waarbij zij zijn het probleem zal oplossen;
  • de kinderen mogen bellen met en gebeld worden door de ouder bij wie zij zijn. Verder mogen de kinderen zelf met de andere ouder bellen. De kinderen mogen niet rechtstreeks door andere familieleden worden gebeld. Dat contact dient te verlopen via de ouder bij wie de kinderen op dat moment zijn;
  • het staat de man vrij om een familielid te laten aansluiten bij de wekelijkse gesprekken tussen hem en de kinderen;
  • partijen hebben rechtstreeks contact met elkaar over zaken ten aanzien van de kinderen. Het contact verloopt niet via de kinderen;
  • de ouders schelden elkaar niet uit in aanwezigheid van de kinderen en corrigeren de kinderen wanneer zij zich negatief uitlaten over de andere ouder.
4.4
De afspraken zoals hiervoor vermeld onder 4.3 lenen zich niet voor opname in het dictum. De voorzieningenrechter gaat er desalniettemin vanuit dat partijen zich hieraan zullen houden.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie en reconventie
5.1
veroordeelt de man en de vrouw om de zorgregeling zoals neergelegd in de beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2024 na te komen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per keer dat de man of de vrouw deze regeling niet nakomt, met een maximum van € 2.000,-;
5.2
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Witteman en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
AFL