ECLI:NL:RBDHA:2026:18059

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.34001
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder b, VwArt. 59b VwArt. 106, eerste lid, Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding toegekend wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring

De zaak betreft een beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring die op 18 juni 2026 aan eiser werd opgelegd door verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft deze maatregel dezelfde dag opgeheven vanwege een onjuiste wettelijke grondslag en een nieuwe maatregel opgelegd op basis van artikel 59b van de Vw.

De rechtbank heeft het beroep aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding en beoordeelt of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was. Verweerder erkent dat de oorspronkelijke maatregel onrechtmatig was en biedt een schadevergoeding van €160,- aan voor het verblijf van één dag in een politiecel, alsmede een proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelt dat de maatregel vanaf het begin onrechtmatig was en verklaart het beroep gegrond. De reeds aangeboden schadevergoeding wordt toegekend, evenals proceskosten van €934,-. De uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door rechter E.J. Govaers en griffier M. Gasi.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding van €160,- wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34001

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.W.J. van den Broek),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 18 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw [1] opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
Verweerder heeft op 18 juni 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend op 22 juni 2026. Op 25 juni 2026 heeft verweerder een reactie ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 25 juni 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Omdat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de vreemdelingenbewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. Verweerder heeft in zijn brief van 25 juni 2026 erkend dat de maatregel van vreemdelingenbewaring van 18 juni 2026, opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, op een onjuiste wettelijke grondslag berustte. Om die reden heeft verweerder deze maatregel dezelfde dag opgeheven en aansluitend een nieuwe maatregel op grond van artikel 59b van de Vw opgelegd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de in deze procedure bestreden maatregel onrechtmatig is, heeft zich bereid verklaard aan eiser een schadevergoeding van € 160,- (vanwege één dag verblijf in een politiecel) en een proceskostenvergoeding ter hoogte van één punt toe te kennen.
3. Gelet op het bovenstaande is niet in geschil dat de maatregel was gebaseerd op een onjuiste grondslag. Deze maatregel was vanaf het moment van het opleggen onrechtmatig. Het beroep is daarom gegrond. De overige beroepsgronden behoeven om die reden geen bespreking meer.
4. Eiser maakt aanspraak op een schadevergoeding. De rechtbank zal het door verweerder reeds aangeboden bedrag aan schadevergoeding toekennen.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt omdat de gemachtigde van eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 160,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.