ECLI:NL:RBDHA:2026:18058

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35343
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 VwArt. 59 VwArt. 59b VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

Eiser, een Algerijnse vreemdeling geboren in 2004, werd op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld wegens risico op onderduiken en het ontwijken van de uitzettingsprocedure. Eiser voerde aan dat zijn ophouding onrechtmatig was omdat zijn identiteit reeds vaststond en dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn psychische en verslavingsproblematiek.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht artikel 50, tweede lid, Vw als grondslag voor de ophouding gebruikte, omdat eiser zich niet kon legitimeren en nader onderzoek naar zijn identiteit noodzakelijk was. De gronden voor de bewaring, waaronder het niet naleven van vertrekverplichtingen en het ontbreken van een vaste verblijfplaats, werden niet betwist en voldoende gemotiveerd.

Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstond, mede gelet op het ernstige risico op onderduiken en het ontbreken van medische behandeling door eiser. De algemene zorgen over de zorg in het detentiecentrum konden niet leiden tot een andere conclusie.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter E.J. Govaers op 2 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.35343

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.W.J. van den Broek),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 18 juni 2026 heeft verweerder aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [1]
Op 30 juni 2026 heeft verweerder de maatregel van bewaring gewijzigd en een nieuwe maatregel opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 1 juli 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt de te zijn geboren [geboortedag] 2004 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Ophouding
2. Eiser voert aan dat hij ten onrechte op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw is opgehouden. Volgens hem stond zijn identiteit bij de overname uit het strafrecht reeds vast, zodat uitsluitend artikel 50, derde lid, van de Vw als grondslag kon dienen. Dat hij geen identiteitsdocument heeft overgelegd, doet daar volgens eiser niet aan af, omdat zijn identiteit reeds uit eerdere strafrechtelijke procedures en registraties bij verweerder bekend was. Verweerder stelt zich daarentegen op het standpunt dat de identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld, nu eiser geen identificerend document kon tonen en daarom tijdens de ophouding nader onderzoek naar zijn identiteit moest worden verricht.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser terecht op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw heeft opgehouden. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 18 juni 2026 blijkt dat eiser zich niet kon legitimeren. Dat eiser aansluitend aan een strafrechtelijk traject is overgenomen, maakt niet dat zijn identiteit daarmee onmiddellijk kon worden vastgesteld. Verweerder heeft daarom terecht nader onderzoek naar de identiteit van eiser verricht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de juiste grondslag voor de ophouding is toegepast. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a.
a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c) niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
h) te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
p) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van
hoofdstuk 4 van het Vb [2] heeft gehouden.
r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De gronden b, r en s zijn juist en voldoende toegelicht in de maatregel van vreemdelingenbewaring. Deze gronden zijn (reeds) voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een onderduikrisico bestaat.
Lichter middel
6. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn psychische problematiek, suïcidale gedachten en drugsverslaving. Eiser verwijst daarbij naar het CPT-rapport van 19 juni 2026 over Detentiecentrum Rotterdam, waaruit volgens hem blijkt dat de geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg, met name voor vreemdelingen met complexe problematiek, tekortschieten. Dat hij ten tijde van de inbewaringstelling niet onder behandeling stond, betekent volgens eiser niet dat hij geen behandeling nodig heeft.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat ten aanzien van eiser een ernstig en onbetwist risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor de toepassing van een lichter middel. Ten aanzien van eisers psychische problematiek en verslavingsproblematiek heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat de door eiser aangehaalde algemene zorgen over de zorgverlening in het detentiecentrum niet betekenen dat de voor eiser noodzakelijke zorg ontoereikend is. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat eiser heeft verklaard niet onder medische behandeling te staan. Voor zover eiser meent dat de (toegang tot) medische zorg in het detentiecentrum onvoldoende is, kan hij hierover klagen bij het detentiecentrum.
Ambtshalve toets
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.