ECLI:NL:RBDHA:2026:18055
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 25 maart 2026. De rechtbank beoordeelde nu de periode van 25 maart tot 18 mei 2026.
Eiser stelde dat er geen zicht op uitzetting was omdat de Indiase autoriteiten geen laissez-passer verstrekten, ondanks zijn medewerking aan een presentatie bij het Indiase consulaat. De rechtbank oordeelde dat het tijdsverloop sinds de aanvraag te kort was om te concluderen dat zicht op uitzetting ontbreekt en dat eiser niet altijd meewerkte, wat vertraging kan veroorzaken.
Verder stelde eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde, maar de rechtbank vond de voortgangsrapportage en de uitgevoerde vertrekgesprekken voldoende bewijs van voortvarendheid. Ook de belangenafweging viel niet in het voordeel van eiser uit, mede gezien zijn eerdere weigering tot medewerking.
De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit, waarbij geen strijd met het non-refoulementbeginsel of het belang van het gezin werd vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.