ECLI:NL:RBDHA:2026:18050

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.26267
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 5 richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

Verweerder heeft op 6 januari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 15 mei 2026 zonder zitting.

De rechtbank toetst de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf 8 april 2026 tot 15 mei 2026, omdat eerder is vastgesteld dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was. Eiser betoogt dat een lichter middel moet worden toegepast vanwege de zware omstandigheden in detentie en zijn medewerking aan uitzetting.

De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin is geoordeeld dat geen lichter middel passend is en ziet geen relevante wijziging in omstandigheden die het voortduren van de bewaring onredelijk maken. Ook de lopende voorlopige voorzieningenprocedure leidt niet tot een ander oordeel.

Ambtshalve toetsing van de maatregel, mede gelet op het EU-recht en het belang van non-refoulement en gezinsleven, geeft geen aanleiding tot opheffing. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26267

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 6 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 15 mei 2025.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 april 2026 (in de zaak NL26.18202) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (op 8 april 2026), rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 8 april 2026 tot 15 mei 2026.
Lichter middel
3. Eiser betoogt dat verweerder inmiddels een lichter middel dient toe te passen. Daartoe voert eiser aan dat de bewaring hem erg zwaar valt. Eiser heeft een week op de OBS-afdeling moeten verblijven vanwege een incident waarbij hij betrokken was. Volgens eiser wordt hij in het detentiecentrum nu ten onrechte als de ‘boeman’ gezien, terwijl hij zich enkel heeft verdedigd tegen iemand die hem met een sleutel heeft aangevallen. Inmiddels mag hij niet langer op de A-afdeling verblijven maar is hij naar een andere, minder fijne afdeling overgeplaatst. Ook de regievoerder was verbaasd dat eiser op de OBS-afdeling had gezeten. Verder is van belang dat eiser meewerkt aan zijn uitzetting en dat het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het hoger beroep inzake de afwijzing van zijn asielaanvraag nog behandeld moet worden.
4. De rechtbank stelt voorop dat in de uitspraak van 26 januari 2026 (met zaaknummer NL26.1351) reeds is geoordeeld dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet met een lichter middel kan worden volstaan. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 2.1. van die uitspraak. De rechtbank verwijst verder naar de uitspraak van 10 april 2026, waarin de rechtbank op het vervolgberoep van eiser heeft besloten en in rechtsoverweging 6. heeft geoordeeld dat er nog altijd geen aanleiding bestaat voor een lichter middel. Dat eisers verzoek om een voorlopige voorziening nog moest worden behandeld, bracht de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank ziet in wat eiser in het onderhavige vervolgberoep aanvoert geen reden om nu wel een lichter middel op te leggen. Ook thans geeft de nog lopende voorlopige voorzieningenprocedure geen aanleiding voor oplegging van een lichter middel. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van een relevante wijziging in de persoonlijke omstandigheden van eiser die het voortduren van de bewaring onevenredig bezwarend maken. Het door eiser beschreven gebeuren op het detentiecentrum en de gevolgen daarvan, wiens schuld het incident ook was, acht de rechtbank daarvoor van onvoldoende gewicht. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.