ECLI:NL:RBDHA:2026:1805

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
NL25.46491
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na ongegrond verklaring beroep in vreemdelingenzaak

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn opvolgende aanvraag in een vreemdelingenzaak. De minister van Asiel en Migratie heeft op 19 september 2025 alsnog op de aanvraag beslist en deze afgewezen als kennelijk ongegrond, waarbij tevens een inreisverbod van twee jaar is opgelegd.

Verzoeker was het niet eens met dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 16 januari 2026 samen met het beroep van verzoeker.

De rechtbank heeft het samenhangende beroep van verzoeker ongegrond verklaard, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het samenhangende beroep ongegrond is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46491

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R. Balkenende),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).

Procesverloop

1. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn opvolgende aanvraag (zaaknummer NL25.28216). Met het bestreden besluit van 19 september 2025 heeft de minister alsnog op de aanvraag beslist en deze afgewezen als kennelijk ongegrond.
Daarbij is aan verzoeker een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
1.1.
Verzoeker heeft bericht het niet eens te zijn met het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 januari 2026 op zitting behandeld, samen met het beroep van verzoeker. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het samenhangende beroep van verzoeker, en dat beroep ongegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om deze reden af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding nu het beroep ongegrond is verklaard.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.