ECLI:NL:RBDHA:2026:18049

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.25803
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000Art. 5 Richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie heeft op 28 april 2026 een maatregel van bewaring opgelegd en verlengd tot maximaal twaalf maanden. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank oordeelde dat het beroep feitelijk gericht was tegen het voortduren van de maatregel sinds 6 mei 2026, na een eerdere uitspraak over de rechtmatigheid tot die datum.

De rechtbank stelde vast dat de eerder beoordeelde maatregel tot 6 mei 2026 rechtmatig was en dat de door eiser aangevoerde beroepsgronden reeds waren behandeld. De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit, waarbij zij onder meer het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 en het arrest Adrar van 4 september 2025 betrok.

Er werd geen grond gevonden om het voortduren van de maatregel onrechtmatig te achten, noch dat het familie- en gezinsleven of het non-refoulementbeginsel zich tegen de verwijdering verzetten. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25803

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 28 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Bij deze maatregel van bewaring heeft verweerder de bewaring van eiser tevens met ten hoogste twaalf maanden verlengd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 13 mei 2026.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt allereerst dat zij het beroep van eiser, zoals al blijkt uit de weergave van het procesverloop, aanmerkt als een beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 28 april 2026. Eiser heeft in zijn beroepschrift het beroep zelf aangeduid als een beroep tegen het verlengingsbesluit van 28 april 2026. Over de maatregel van bewaring van 28 april 2026 en het van dat besluit deel uitmakende verlengingsbesluit is echter reeds een (eerste) beroepsprocedure gevoerd, overigens door dezelfde gemachtigde, waarin een zitting is gehouden op 6 mei 2026, het onderzoek op die dag is gesloten en waarin op 13 mei 2026 (onder het kenmerk NL26.24020) uitspraak is gedaan. Gelet daarop merkt de rechtbank het onderhavige beroep van eiser, dat op 7 mei 2026 is ingediend, dan ook aan als een beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 28 april 2026.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. Uit de uitspraak van 13 mei 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (op 6 mei 2026), rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 6 mei 2026 tot 13 mei 2026.
4. Eiser heeft in het inleidend beroepschrift en vervolgens in zijn aanvullend beroepschrift beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank stelt vast dat alle beroepsgronden van eiser zich richten tegen de op 28 april 2026 opgelegde maatregel van bewaring en het daarvan deel uitmakende verlengingsbesluit. Eiser betwist de gronden voor de maatregel, de beslissing van verweerder om geen lichter middel op te leggen en de rechtmatigheid van het verlengingsbesluit. Overwogen wordt dat de rechtbank in de uitspraak van 13 mei 2026 reeds een oordeel heeft gegeven over de rechtmatigheid van de inbewaringstelling van 28 april 2026 en de rechtmatigheid van het verlengingsbesluit. De bewaring is rechtmatig bevonden tot 6 mei 2026. De rechtbank zal de door eiser aangevoerde beroepsgronden dan ook niet verder bespreken.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.