ECLI:NL:RBDHA:2026:18024
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening visum kort verblijf ondanks gezinsbanden in Nederland
Verzoekers hebben een visumaanvraag voor kort verblijf ingediend die door de minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het doel en de verblijfsomstandigheden. Na bezwaar verzochten zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die hen gedurende de bezwaarprocedure als visumhouders zou behandelen, zodat zij naar Nederland konden reizen om bij hun vrouw/moeder en minderjarige kinderen te verblijven.
De voorzieningenrechter oordeelt dat een dergelijke voorlopige voorziening onomkeerbare gevolgen heeft en alleen in zeer bijzondere omstandigheden kan worden toegekend. Het feit dat verzoekers als gezin in Nederland willen verblijven, wordt niet als zodanig bijzondere omstandigheid aangemerkt. Er is geen sprake van een specifieke datum of tijd die het spoedeisend belang rechtvaardigt, en het contact tussen vader en kinderen vindt al plaats, zij het op afstand.
Verder is het motiveringsgebrek in het besluit van de minister niet voldoende onderbouwd om de voorlopige voorziening toe te kennen. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoekers niet toekomt en wijst het verzoek af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om als visumhouders te worden behandeld wordt afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.