ECLI:NL:RBDHA:2026:18014

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
SGR 26/4713
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbOmgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning tijdelijke opvanglocatie wegens ontbreken spoedeisend belang

Het geschil betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen de verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijke Regionale opvanglocatie (ROL) voor maximaal 300 statushouders en/of evident kansrijke asielzoekers in Zuidplas. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de vergunning en vroegen om schorsing van het besluit.

De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed, bijvoorbeeld bij onomkeerbare gevolgen die het bezwaarproces ondermijnen. De funderingswerkzaamheden zijn reeds gestart en zullen naar verwachting tot december 2026 duren, terwijl de beslissing op bezwaar mogelijk al op 14 juli 2026 wordt genomen.

Verzoekers konden alleen spoedeisend belang ontlenen aan bezwaren die betrekking hebben op de huidige en komende werkzaamheden tot zes weken na de beslissing op bezwaar, met name over mogelijke nadelige gevolgen voor de ondergrond en het grondwater. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gekozen funderingsmethode is afgestemd op de veengrond en gericht is op het voorkomen van nadelige effecten. Verzoekers hebben niet concreet aangetoond dat de funderingsmethode schadelijk is voor de bodem of het grondwater.

Ook is geen sprake van evidente onrechtmatigheid van het besluit. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor het bestreden besluit niet wordt geschorst. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 26/4713 en 26/4953

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 in de zaken tussen

1.
[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. C.J. Dekker),
2.
[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster
hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers
en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, het college

(gemachtigden: mr. H. Doornhof en mr. R. Janssen).
Als derde-partijen nemen aan de zaken deel:
1.
Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), te Den Haag (vergunninghouder).
(gemachtigden: mr. U. Franssen en mr. J. Zweers)
2.
De raad van de gemeente Zuidplas (de gemeenteraad)
(gemachtigde mr. L. van Schie-Kooman)

Samenvatting

1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over het realiseren van een tijdelijke Regionale opvanglocatie (ROL) voor maximaal 300 statushouders en/of evident kansrijke asielzoekers met voorzieningen en uitritten op de locatie [straatnaam] achter [huisnummer] in [plaats]. Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Zij verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Op 2 december 2025 heeft het COA een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor de genoemde ROL. Het bouwplan voorziet in 42 verblijfsunits, verdeeld over zes bouwblokken voor 336 bedden, waarvan er maximaal 300 gelijktijdig gebruikt zullen worden. Tevens is onderdeel van deze aanvraag een facilitair gebouw en diverse voorzieningen (o. a. parkeervoorzieningen, fietsenstalling, fietsenwerkplaats en recreatieve voorzieningen) en ziet deze aanvraag toe op het ruimtelijk mogelijk maken van leslokalen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 16 februari 2026 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend aan het COA
.Deze vergunning is verleend voor de activiteiten (a) omgevingsplanactiviteit bouwen (uitgezonderd leslokalen), (b) het afwijken van de regels van het omgevingsplan, (c) omgevingsplanactiviteit uitweg of inrit en (d)
technische bouwactiviteit (uitgezonderd leslokalen) op grond van de Omgevingswet. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Op 17 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter een verzoek om een ordemaatregel te treffen afgewezen.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft schriftelijke vragen gesteld aan het college en het COA. Deze zijn op 23 juni 2026 beantwoord.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers, gemachtigde mr. R. Janssen van het college, vergezeld door [naam 1], de gemachtigde van de gemeenteraad, vergezeld door [naam 2], en gemachtigde mr. J. Zweers van het COA, vergezeld door [naam 3].

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
3.1.
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken blijkt dat de beslissing op bezwaar mogelijk al op 14 juli 2026 zal worden genomen. Op dit moment vinden funderingswerkzaamheden plaats ten behoeve van de bebouwing van de ROL. Die werkzaamheden zijn gericht op het verwezenlijken van een onderheide, zettingsvrije betonvloer op houten palen, waarop de beoogde bebouwing van de ROL zal komen te rusten. Die werkzaamheden zullen ongeveer 24 tot 25 weken in beslag nemen en worden uitgaande van de planning in december 2026 afgerond. De ingebruikname van de ROL is medio 2027 voorzien.
3.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoekers alleen een spoedeisend belang kunnen ontlenen aan verzoeksgronden die betrekking hebben op de werkzaamheden die op dit moment en gedurende de periode tot zes weken na de beslissing op bezwaar worden uitgevoerd. Zoals besproken op de zitting gaat het daarbij concreet om bezwaren van verzoekers die betrekking hebben op de gevolgen van de werkzaamheden voor de ondergrond, zoals het veen en het grondwater, zowel voor het perceel waar het bouwplan is voorzien als voor het woon- en leefklimaat van verzoekers.
3.3.
De funderingswerkzaamheden zullen, zoals hiervoor is overwogen, tot in december 2026 plaatsvinden. Het college heeft toegelicht dat de gekozen methode van fundering specifiek is afgestemd op de veengrond en erop is gericht om nadelige gevolgen voor de omliggende bodem te voorkomen. Het COA heeft toegelicht dat voor deze methode, die bewerkelijker is dan het voorbelasten van het perceel met grond, is gekozen om inzakken van de veengrond te voorkomen. Het COA verijst naar de overgelegde ongedateerde memo van [naam 4] en de analyse van [adviesbureau] van 15 juni 2026. Daarnaast wijzen het college en het COA erop dat het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (het Hoogheemraadschap) geen bezwaar heeft tegen het verlenen van de omgevingsvergunning.
3.4.
Uit de genoemde beoordeling van de funderingsmethode door [naam 4] en [adviesbureau] volgt samengevat dat deze geen nadelige gevolgen zal hebben voor de bodem. De bouw veroorzaakt geen bovenbelasting op het aanwezige veen en blijvende aantasting van de veenbodem wordt daarmee voorkomen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers daartegenover niet concreet hebben gemaakt dat de funderingsmethode nadelige gevolgen zal hebben voor de ondergrond. Verzoekers onderbouwen hun vrees voor bodemdaling met een verwijzing naar een locatie waar een gronddepot aanwezig is (geweest) dan wel waar grond wordt voorbelast, hetgeen in dit geval niet aan de orde is. Over het door verzoekers naar voren gebrachte aanbrengen van verharding op de locatie, is op zitting duidelijk geworden dat het gaat om het aanbrengen van puin ten behoeve van een rijbaan voor materieel. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dit niet gelijkgesteld worden met voorbelasting van de bodem. Verzoekers hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat aanwezigheid van een rijbaan bestaande uit puin vergelijkbare nadelige effecten voor de bodem zouden kunnen hebben als voorbelasting met grond. In aanmerking genomen dat het Hoogheemraadschap blijkens zijn advies van 23 januari 2026 niet verwacht dat de activiteit nadelige gevolgen heeft voor het waterbeheer, is de voorzieningenrechter verder van oordeel dat verzoekers niet concreet hebben onderbouwd dat de werkzaamheden een onomkeerbaar nadelig effect op het grondwater zullen hebben. De conclusie is dat een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening ontbreekt.
3.5.
Als geen sprake is van een spoedeisend belang, kan een voorlopige voorziening worden getroffen als sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bezwaarprocedure stand zal houden. In wat verzoekers naar voren hebben gebracht ziet de voorzieningenrechter geen aanwijzing voor evidente onrechtmatigheid van het bestreden besluit. Daarom is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.