ECLI:NL:RBDHA:2026:17981

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.33903
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vw 2000Art. 3 lid 1 en 4 Vw 2000Art. 5 lid 1 en 6 Vw 2000Art. 5.5 lid 2 Vb 2000Art. 94 lid 1 en 6 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen grensdetentie op grond van artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000

De rechtbank Den Haag behandelde op 23 juni 2026 het beroep van eiser tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat er procedurele gebreken waren, dat het middelenvereiste niet tegen hem mocht worden toegepast, dat de ambtenaar onvoldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel werd toegepast en dat er geen zicht was op uitzetting.

De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit rechtsgeldig digitaal was ondertekend ondanks het ontbreken van een fysieke handtekening op het document zelf, en dat de procedurele gebreken niet aannemelijk waren. Het middelenvereiste is ook van toepassing bij asielaanvragen en kon dus tegen eiser worden ingeroepen. De rechtbank stelde vast dat het grensbewakingsbelang in beginsel het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist en dat er geen bijzondere individuele omstandigheden waren die een lichter middel rechtvaardigden.

Verder werd overwogen dat eiser weliswaar verklaarde staatloos te zijn, maar dat zicht op uitzetting niet vereist is zolang de asielprocedure nog loopt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van de grensdetentie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33903

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. T. Esen),
en

de ambtenaar belast met de grensbewaking, de ambtenaar

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De ambtenaar heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De ambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Is sprake van procedurele gebreken bij de totstandkoming van de maatregel?
3. Eiser voert aan dat sprake is van procedurele gebreken. De maatregel is namelijk niet digitaal ondertekend. Dat de oorzaak hiervan een systeemfout is, kan aan de ambtenaar worden toegerekend. Ook dat aan eiser een maatregel met een fysieke handtekening is uitgereikt, maakt dat niet anders. Het dossier bevat namelijk geen ondertekende versie waardoor niet te controleren is of de maatregel rechtsgeldig is ondertekend.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Met het proces-verbaal van bevindingen gedateerd 22 juni 2026 heeft de ambtenaar toegelicht dat het proces digitaal is ondertekend, waarvan het bestreden besluit (de M19-B) onderdeel uitmaakt. Dit is ook te herleiden naar het besluit tot het uitstellen van de toegangsweigering (M18-A) uit ditzelfde proces, dat wel digitaal is ondertekend. De ambtenaar heeft ook toegelicht dat met de inwerkingtreding van het Europese Asiel- en Migratiepact een verandering heeft plaatsgevonden in de processen, waardoor de laatste pagina van het bestreden besluit ontbreekt, waarop de handtekening staat. De rechtbank kan deze toelichting van de ambtenaar volgen. Nu de M18-A is voorzien van een digitale handtekening, is zij van oordeel dat het bestreden besluit (de M19-B), aangezien deze deel uitmaakt van hetzelfde digitale proces, ook rechtsgeldig is ondertekend. Daarnaast heeft zij geen reden om te twijfelen aan het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 22 juni 2026 waaruit volgt dat de ambtenaar het besluit voorzien van een fysieke handtekening na het opleggen aan eiser heeft uitgereikt. Dat is door eiser ook niet betwist.
Mocht de minister aan eiser het middelenvereiste tegenwerpen?
4. Eiser voert aan dat het middelenvereiste in het kader van asiel niet kan worden tegengeworpen. Dit middelenvereiste is namelijk slechts van toepassing op reguliere toegang en verblijf, maar niet op de beoordeling van een asielaanvraag.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit artikel 3, eerste lid, en onder c, van de Vw 2000 volgt dat de toegang kan worden geweigerd wanneer geen sprake is van voldoende middelen om te voorzien in bepaalde kosten. In geval van eiser heeft de ambtenaar op grond van artikel 3, vierde lid, van de Vw 2000, de toegangsweigering uitgesteld, vanwege de asielaanvraag van eiser. De rechtbank leest in dit artikel niet dat in zo’n geval het middelenvereiste niet tegengeworpen zou kunnen worden.
Had de minister een lichter middel moeten opleggen?
5. Eiser voert aan dat de ambtenaar onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vrijheidsontneming rechtmatig is. Door de enkele standaardmotivering, heeft de ambtenaar onvoldoende rekening gehouden met de individuele omstandigheden van eiser en is onvoldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel opgelegd kon worden. Ook is daarmee sprake van een schending van artikel 5 van Pro het EVRM. Uit jurisprudentie van het EHRM blijkt namelijk dat bij vrijheidsontneming van een asielzoeker een individuele beoordeling moet plaatsvinden. De ambtenaar heeft onvoldoende betrokken dat eiser beschikt over een geldig paspoort en visum, hij geen veiligheidsrisico vormt gelet op het feit dat hij niet voorkomt in de databases en dat hij volledig meewerkt aan de procedure. Daarnaast zijn de medische omstandigheden van eiser ook onvoldoende betrokken. Aan eiser had daarom een alternatief, zoals een vrijheidsbeperkende maatregel, geboden kunnen worden.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat hij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. [1] Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. [2] Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.
5.2.
Voorafgaand aan de maatregel is eiser gehoord en is hem gevraagd of er feiten en/of omstandigheden zijn die maken dat in zijn geval had moeten worden afgezien van grensdetentie. Hij heeft toen verklaard dat hij geen bezwaren heeft, maar alleen moeite heeft met ademhalen vanwege neuspoliepen. Dit is door de ambtenaar ook betrokken in de beoordeling of een lichter middel moet worden toegepast.
De rechtbank is van oordeel dat de ambtenaar, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. Van zodanig bijzondere omstandigheden, is namelijk in geval van eiser geen sprake. De rechtbank betrekt daarbij dat de ambtenaar in het bestreden besluit heeft gewezen op het feit dat in het detentiecentrum medische voorzieningen aanwezig zijn waar eiser zich toe kon wenden als dat nodig zou zijn. Niet is gebleken dat deze voorzieningen voor eiser niet toegankelijk waren of dat er geen adequate zorg aan eiser kon worden verstrekt. De omstandigheden zoals eiser deze nu in beroep naar voren heeft gebracht, kunnen ook niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden. Van een schending van artikel 5 van Pro het EVRM is daarom ook geen sprake.
Is sprake van zicht op uitzetting?
6. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting. Hij heeft namelijk verklaard staatloos te zijn. Dat is ook niet betwist door de ambtenaar.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat in het kader van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 geen sprake hoeft te zijn van zicht op uitzetting. Eiser doorloopt namelijk eerst een asielprocedure, waarin beoordeeld zal worden of aan eiser kan worden uitgezet. Deze procedure dient eerst afgewacht te worden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.
2.ABRvS 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.