ECLI:NL:RBDHA:2026:17981
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen grensdetentie op grond van artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
De rechtbank Den Haag behandelde op 23 juni 2026 het beroep van eiser tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat er procedurele gebreken waren, dat het middelenvereiste niet tegen hem mocht worden toegepast, dat de ambtenaar onvoldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel werd toegepast en dat er geen zicht was op uitzetting.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit rechtsgeldig digitaal was ondertekend ondanks het ontbreken van een fysieke handtekening op het document zelf, en dat de procedurele gebreken niet aannemelijk waren. Het middelenvereiste is ook van toepassing bij asielaanvragen en kon dus tegen eiser worden ingeroepen. De rechtbank stelde vast dat het grensbewakingsbelang in beginsel het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist en dat er geen bijzondere individuele omstandigheden waren die een lichter middel rechtvaardigden.
Verder werd overwogen dat eiser weliswaar verklaarde staatloos te zijn, maar dat zicht op uitzetting niet vereist is zolang de asielprocedure nog loopt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van de grensdetentie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.