ECLI:NL:RBDHA:2026:17978

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.18542
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit Proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens late besluitvorming minister

Verzoekers dienden een beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 7 mei 2026 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoekers hun beroep introkken en proceskostenvergoeding vorderden.

De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep, waardoor toekenning van proceskostenvergoeding passend was. Gezien de lichte aard van de zaak en het inschakelen van professionele juridische hulp, werd een wegingsfactor van 0,5 toegepast op het standaardbedrag.

De rechtbank wees het verzoek om vrijstelling van griffierecht toe vanwege betalingsonmacht, waardoor de minister niet gehouden is dit griffierecht te vergoeden. De minister werd veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van €467,- aan verzoekers.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van €467,- aan proceskosten aan verzoekers na intrekking van het beroep wegens late besluitvorming.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.18542
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3], verzoekers V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] , en [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.L.J. Henket-Reijnen), en
de minister van Asiel en Migratie,de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekers om vergoeding van hun proceskosten.
Verzoekers hebben een beroep ingediend, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van verzoekers voor een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: de aanvraag).
Op 7 mei 2026 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag.
Naar aanleiding hiervan hebben verzoekers hun beroep ingetrokken. Ze hebben daarbij het verzoek gedaan om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De minister heeft op 27 mei 2026 op dit verzoek gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een indiener het beroep intrekt, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan diens beroepschrift, dan kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten van de indiener.2
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is de minister tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekers. De minister heeft immers alsnog een besluit op de aanvragen van verzoekers genomen.
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, in samenhang met het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoekers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hem een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. De rechtbank volgt de minister niet in diens standpunt dat de zaak van “zeer licht” gewicht is, als gevolg waarvan een wegingsfactor van 0,25 zou moeten worden toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
5. Verzoekers hebben verzocht om vrijstelling van de verplichting griffierecht te betalen vanwege betalingsonmacht. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe. De minister is dan ook niet gehouden om op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van
€ 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A.A.W. van der Heijden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 juni 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.