ECLI:NL:RBDHA:2026:1797

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/09/696512 / KG RK 25-1723
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39, derde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wraking kantonrechter in civiele zaak tegen Autoriteit Persoonsgegevens

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen kantonrechter M.E. Groeneveld-Stubbe in een civiele procedure tegen de Autoriteit Persoonsgegevens. Het verzoek was gebaseerd op vermeende schendingen van het Landelijk procesreglement, onvolledigheid en onjuistheid van het proces-verbaal, de indruk dat de rechter haar oordeel al had gevormd, en beschuldigingen van racisme.

De wrakingskamer oordeelde dat de conclusie van antwoord wel degelijk via e-mail was toegezonden en dat verzoeker de mogelijkheid had om de zaak aan te houden voor kennisneming, maar hiervan geen gebruik maakte. Eventuele schendingen van het procesreglement zijn procedurele beslissingen die geen grond voor wraking vormen. Het proces-verbaal wordt als juist en zakelijk beschouwd; onvolledigheid of onjuistheden daarvan rechtvaardigen geen wraking.

De mededeling van de kantonrechter dat het vonnis is bepaald, werd uitgelegd als het vaststellen van een datum voor uitspraak, niet als een reeds gevormd oordeel. De beschuldiging van racisme werd niet onderbouwd met objectieve feiten. De wrakingskamer concludeerde dat er geen sprake is van vooringenomenheid, partijdigheid of de schijn daarvan en wees het wrakingsverzoek af.

De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij het indienen van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de kantonrechter wordt afgewezen wegens gebrek aan objectieve gronden voor vooringenomenheid of partijdigheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2025/80
zaak- /rekestnummer: C/09/696512 / KG RK 25-1723
Beslissing van 2 februari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. M.E. Groeneveld-Stubbe,
kantonrechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de kantonrechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 22 december 2025;
- de schriftelijke reactie van de kantonrechter, ingekomen op 7 januari 2026;
- het e-mailbericht van verzoeker van 1 januari 2026;
- het e-mailbericht van verzoeker van 15 januari 2026;
- de aan de rechtbank overgelegde spreekaantekeningen van verzoeker.
1.2.
Op 19 januari 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij is verzoeker verschenen. De kantonrechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de kantonrechter in de zaak met nummer 11810082 / RL EXPL 25-13659 tussen verzoeker en de Autoriteit Persoonsgegevens.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek en de aanvullingen daarop, zoals toegelicht ter zitting, samengevat het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:
de conclusie van antwoord in het hoofdzaak is niet fysiek aan verzoeker toegezonden. Dit is in strijd met het Landelijk procesreglement civiele dagvaardingszaken rechtbanken handel en kanton. De kantonrechter heeft deze fout tijdens de zitting van 16 december 2025 willen herstellen. Zij heeft verzoeker gevraagd of hij de conclusie van antwoord via de mail heeft ontvangen en, indien dat niet het geval is, voorgesteld hem een termijn te verlenen voor kennisneming van de conclusie van antwoord, waarna een nieuwe zitting zal worden gepland. Door deze handelwijze van de kantonrechter wordt de schijn van vooringenomenheid gewekt;
het proces-verbaal van de zitting van 16 december 2025 is onvolledig en onjuist. Bovendien is het proces-verbaal opgemaakt nadat het wrakingsverzoek door verzoeker is ingediend. Dit terwijl het proces in de hoofdzaak vanwege het wrakingsverzoek is geschorst;
de kantonrechter heeft schriftelijk verklaard: “
Nadat partijen hun verhaal hadden gedaan heb ik vonnis bepaald”. Hieruit blijkt dat zij haar oordeel al klaar had;
er is sprake van racisme.
2.3.
De kantonrechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Ad wrakingsgrond 1
3.2.
De wrakingskamer volgt verzoeker niet in zijn stelling dat de rechter vooringenomen is omdat het Landelijk procesreglement civiele dagvaardingszaken rechtbanken handel en kanton niet in acht is genomen. Uit het proces-verbaal van de zitting van 16 december 2025 blijkt dat de Autoriteit Persoonsgegevens de conclusie van antwoord op 16 september 2025 per e-mail aan verzoeker heeft verzonden. De rechtbank heeft de conclusie van antwoord (ook) op 28 november 2025 en op 16 december 2025 aan verzoeker gemaild. Ter zitting heeft de kantonrechter aan verzoeker meegedeeld dat de zaak kan worden aangehouden zodat verzoeker kennis kan nemen van de conclusie van antwoord, waarna een nieuwe zitting zal worden gepland. Hier heeft verzoeker geen gebruik van gemaakt. Verzoeker kon aldus bekend zijn met de inhoud van de conclusie van antwoord en als hij dat niet (voldoende) was kon de hoofdzaak worden aangehouden voor kennisneming daarvan. Niet is gebleken dat door deze gang van zaken de procedurele rechtvaardigheid is geschonden. Voor zover in strijd is gehandeld met het Landelijk procesreglement civiele dagvaardingszaken rechtbanken handel en kanton is dat een procedurele beslissing die in beginsel geen reden voor wraking vormt, en is niet gebleken dat verzoeker daardoor in zijn belangen is geschaad. Er is dan ook geen reden te oordelen dat de kantonrechter vooringenomen is, of partijdig, of dat de schijn daarvan gewekt is. De eerste wrakingsgrond faalt derhalve.
Ad wrakingsgrond 2
3.3.
Aan de tweede wrakingsgrond ligt de stelling ten grondslag dat het proces-verbaal van de zitting van 16 december 2025 onjuist en onvolledig is. Ook deze grond faalt. De wrakingskamer gaat bij de beoordeling van het verzoek in beginsel uit van de juistheid van het proces-verbaal van de zitting. Dat heeft immers te gelden als de kenbron van al hetgeen dat op de zitting is gebeurd. Een proces-verbaal bevat een zakelijke – en dus niet een letterlijke – weergave van dat wat op de zitting is besproken. Onvolledigheid van het proces-verbaal is geen grond voor wraking. Als het proces-verbaal al onjuistheden zou bevatten, dan blijkt uit de door verzoeker aangehaalde voorbeelden nog niet van vooringenomenheid of partijdigheid van de kantonrechter.
3.4.
Verzoeker stelt voorts dat het proces-verbaal van de zitting van 16 december 2025 is opgemaakt nadat het wrakingsverzoek is ingediend. De wrakingskamer volgt deze stelling niet. Uit de stempel onderaan het proces-verbaal blijkt enkel dat het op 24 december 2025 aan partijen is verzonden. Overigens kan het opmaken van een proces-verbaal van de zitting worden beschouwd als een processuele handeling die geen uitstel gedoogt en mag dit derhalve worden gedaan nadat een verzoek tot wraking is gedaan.
Ad wrakingsgrond 3
3.5.
Wat betreft de stelling dat de kantonrechter vooringenomen of partijdig is omdat zij in haar reactie op het wrakingsverzoek schrijft: “
Nadat partijen hun verhaal hadden gedaan heb ik vonnis bepaald”, overweegt de wrakingskamer als volgt. De wrakingskamer begrijpt de opmerking van de kantonrechter zo dat zij daarmee bedoelt dat een datum is bepaald waarop het vonnis zal worden gewezen. Dat blijkt ook uit het proces-verbaal van de zitting van 16 december 2025, waaruit volgt dat de kantonrechter aan het eind van de zitting heeft meegedeeld dat op 24 december 2025 vonnis zal worden gewezen. De mededeling dat vonnis is bepaald kan niet aldus worden opgevat dat de kantonrechter haar oordeel reeds klaar had. Er is dan ook geen reden te oordelen dat de kantonrechter vooringenomen is, of partijdig, of dat de schijn ervan gewekt is.
Ad wrakingsgrond 4
3.6.
Tot slot de stelling dat sprake is van racisme. Deze stelling wordt niet gestaafd door enige objectieve onderbouwing. Het gevoel dat verzoeker niet op waarde werd geschat is evenmin objectiveerbaar. Het is vervelend voor verzoeker dat hij zich zo heeft gevoeld, maar van enige uitlating van de kantonrechter die deze schijn voor verzoeker objectief rechtvaardigt is niet gebleken.
Conclusie
3.7.
Het wrakingsverzoek zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de kantonrechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M. Kramer, M. Rootring en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.M.J. van Rijswijck en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.