ECLI:NL:RBDHA:2026:17963

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25/13789
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens niet-duurzaam inkomen en belangenafweging gezinsleven

Eisers, Guinese kinderen, hebben namens hun moeder (referente) beroep ingesteld tegen de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verweerder wees de aanvraag af omdat het inkomen van referente niet duurzaam is en de persoonlijke omstandigheden dit niet rechtvaardigen. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht het inkomen als onvoldoende stabiel beoordeelde, mede vanwege een flexibele arbeidsovereenkomst en eerdere uitkeringen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de belangen van het gezinsleven en privéleven voldoende heeft meegewogen. Hoewel er sprake is van gezinsleven, weegt het belang van de Nederlandse overheid zwaarder. Eisers hebben onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van een objectieve belemmering of een hechte band met Nederland. Ook de belangen van de kinderen zijn volgens de rechtbank adequaat betrokken.

De overige beroepsgronden, waaronder de stelling dat het besluit in strijd is met artikel 8 EVRM Pro en algemene beginselen van behoorlijk bestuur, worden verworpen. De rechtbank benadrukt dat verweerder zich aan de geldende regels heeft gehouden. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/13789

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser 1], V-nummer: [V-nummer 1], eiser 1

[eiser 2], V-nummer: [V-nummer 2], eiser 2
(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. den Hollander).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 juni 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referente] (referente), de kantoorgenoot van de gemachtigde van eisers [naam 1], A. Diaby als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser 1 is geboren op [geboortedatum 1] 2006. Eiser 2 is geboren op [geboortedatum 2] 2007. Eisers hebben de Guinese nationaliteit. Referente is de moeder van eisers en heeft namens hen een aanvraag ingediend voor een mvv om bij haar te verblijven.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat referente niet voldoet aan het middelenvereiste. Haar inkomen is namelijk niet duurzaam. Verweerder ziet geen aanleiding om af te wijken van het beleid. [1] Verder is het bestreden besluit niet in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM [2] . Er is weliswaar sprake van gezinsleven tussen eisers en referente, maar de belangenafweging valt uit in hun nadeel. Ook is er geen sprake van een schending van het privéleven van referente en haar jongste (in Nederland wonende) zoon. Ten slotte is het bestreden besluit niet in strijd met het familie- of gezinsleven tussen eisers en hun jongere broer.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst voeren zij aan dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, relevante wetgeving en lagere wetgeving. Ten tweede verzoeken eisers al hetgeen zij eerder naar voren hebben gebracht in deze procedure als herhaald en ingelast te beschouwen. Ten derde stelt verweerder ten onrechte dat referente niet voldoet aan het middelenvereiste, omdat verweerder de persoonlijke situatie van referente onvoldoende heeft meegewogen. Ten vierde heeft verweerder ten onrechte gesteld dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Ten slotte heeft verweerder de belangen van het kind onvoldoende betrokken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Middelenvereiste
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het inkomen van referente niet duurzaam is en dat haar persoonlijke omstandigheden niet maken dat dit haar niet kan worden tegengeworpen. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat referente gedurende een langere periode een (aanvullende) uitkering heeft ontvangen en dat zij thans over een flexibele arbeidsovereenkomst beschikt zonder loondoorbetalingsverplichting, waardoor niet kan worden vastgesteld dat haar inkomen zo stabiel en regelmatig is dat zij hiermee haar gezin kan onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op de sociale bijstand. Dat, zoals eisers hebben aangevoerd, de gemeente op dit moment geen bijstand meer uitkeert, betekent niet dat verweerder – gelet op het principe van eenheid van overheid – zou moeten aannemen dat sprake is van een duurzaam inkomen. Het gaat hierbij immers, zoals ook op zitting is besproken, om twee wezenlijk andere kaders.
Artikel 8 van Pro het EVRM
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het gezinsleven tussen eisers en referente geen aanleiding heeft hoeven zien om aan eisers een verblijfsvergunning te verlenen. Verweerder heeft zich namelijk niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het belang van eisers en referente. Hierbij heeft verweerder alle relevante omstandigheden meegewogen. Zo heeft verweerder in het nadeel van eisers mogen wegen dat eisers niet eerder een verblijfsvergunning in Nederland hebben gehad en dat referente niet voldoet aan het inkomensvereiste. Ook heeft verweerder zich op basis van wat eisers en referente hebben aangevoerd op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat er sprake is van een objectieve belemmering. Daarnaast heeft verweerder van belang mogen vinden dat eisers sterkere banden hebben met Guinee dan met Nederland, dat referente en eisers sinds 2010 niet meer samenwonen en dat de stelling dat eisers inmiddels op straat leven in het geheel niet is onderbouwd.
6.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het privéleven van referente en [naam 2] ook geen aanleiding heeft hoeven zien om aan eisers een verblijfsvergunning te verlenen. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat referente en [naam 2] een verblijfsvergunning hebben in Nederland en niet worden gedwongen om terug te keren naar Guinee.
6.2.
Ook in het gestelde gezins- of familieleven tussen eisers en [naam 2] heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om aan eisers een verblijfsvergunning te verlenen, reeds omdat eisers de gestelde hechte band tussen hen en [naam 2] niet hebben onderbouwd.
Belangen van de kinderen
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de belangen van de kinderen voldoende heeft betrokken in het bestreden besluit. Dat dit onder het kopje “8 EVRM” is gebeurd, maakt dit niet anders. Verweerder hoefde hiervoor geen apart kopje op te nemen.
Overige beroepsgronden
8. De rechtbank ziet in de overige beroepsgronden geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van hetgeen eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Hetzelfde geldt voor de algemene stelling dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, relevante wetgeving en lagere wetgeving.
9. De rechtbank begrijpt dat referente graag al haar kinderen in haar buurt wil hebben en dat zij hard heeft gewerkt om dit voor elkaar te krijgen, maar op basis van de geldende regels – waaraan verweerder zich moet houden en waaraan de rechtbank moet toetsen – mocht verweerder de aanvraag afwijzen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
11. Eisers krijgen het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
mr.J.F. Elzenaar, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.