ECLI:NL:RBDHA:2026:17961

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25/15357
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen terugkeerbesluit

Verzoeker, een Algerijnse nationaliteit dragende persoon, kreeg op 11 juli 2025 een terugkeerbesluit opgelegd door de minister van Asiel en Migratie, omdat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit.

Op 4 augustus 2025 verkreeg verzoeker een nieuwe verblijfsvergunning in Frankrijk, welke hij op 12 september 2025 in de procedure inbracht. Op 13 mei 2026 liet verweerder weten dat het terugkeerbesluit was komen te vervallen en uit het SIS was verwijderd. Hierop trok verzoeker het beroep in en verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat er geen reden is om aan te nemen dat er geen sprake was van professionele rechtsbijstand. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, omdat het terugkeerbesluit pas kort voor de geplande zitting werd ingetrokken, ondanks de eerdere verblijfsvergunning in Frankrijk.

De proceskosten worden vastgesteld op € 934,- en verweerder moet tevens het betaalde griffierecht van € 194,- vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 19 juni 2026.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt toegewezen en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/15357

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. Y. Ben Amar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. den Hollander).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om een proceskostenvergoeding van verzoeker.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 11 juli 2025 aan verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat verzoeker Nederland moet verlaten. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.2.
Verweerder heeft per brief van 13 mei 2026 laten weten dat het terugkeerbesluit is komen te vervallen. Vervolgens heeft verzoeker het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker.
1.3.
Verweerder heeft schriftelijk gereageerd op het verzoek.
1.4.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Verweerder heeft aan verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd, omdat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef.
2.1.
Op 4 augustus 2025 heeft verzoeker een nieuwe verblijfsvergunning gekregen in Frankrijk. Hij heeft deze op 12 september 2025 ingebracht in deze procedure.
2.2.
Verweerder heeft op 13 mei 2026 laten weten dat het terugkeerbesluit is komen te vervallen en dat het terugkeerbesluit uit SIS is verwijderd. Vervolgens heeft verzoeker het beroep ingetrokken en verzocht om een vergoeding van de proceskosten.
2.3.
Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat niet is gebleken dat er sprake is van een onrechtmatig besluit. Subsidiair voert verweerder aan dat er geen sprake is van professionele rechtsbijstand.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. De rechtbank ziet, anders dan verweerder, geen aanleiding om aan te nemen dat er geen sprake zou zijn van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ook overigens volgt de rechtbank verweerder niet. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, reeds omdat verzoeker op
4 augustus 2025 een verblijfsvergunning heeft gekregen en verweerder pas op 13 mei 2026, kort voor de geplande zitting, heeft laten weten dat het terugkeerbesluit is komen te vervallen.

Conclusie en gevolgen

4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,-. [2]
5. Verweerder moet aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-;
- bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1.