ECLI:NL:RBDHA:2026:1796

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
NL26.3565
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet

De minister van Asiel en Migratie legde op 21 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde de zaak op 30 januari 2026 via telehoren.

De minister baseerde de bewaring op zware gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht en het niet meewerken aan overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat volgens de Dublinverordening. Daarnaast werden lichte gronden genoemd zoals het niet naleven van verplichtingen, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. De rechtbank stelde vast dat eiser niet binnen 24 uur na inbewaringstelling in het detentiecentrum Rotterdam was geplaatst, maar dit maakte de bewaring niet onrechtmatig.

De rechtbank oordeelde dat eiser onder de categorie vreemdelingen valt waarvoor bewaring is toegestaan en dat er een concreet aanknopingspunt bestaat voor overdracht aan Zwitserland. De gronden voor bewaring werden niet betwist en de rechtbank vond deze voldoende om het risico op onttrekking aan toezicht te rechtvaardigen. Ook werd rekening gehouden met de medische en psychische toestand van eiser, waarbij passende maatregelen in het detentiecentrum mogelijk zijn.

De rechtbank concludeerde dat de minister voortvarend werkt aan de overdracht, gepland op 3 februari 2026, en dat geen onrechtmatigheid of strijd met non-refoulement of gezinsleven is gebleken. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3565

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. De minister heeft op 21 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
3. De gemachtigde van eiser heeft erop de zitting op gewezen dat het dossier geen informatie bevat over het moment waarop eiser naar het detentiecentrum in Rotterdam is overgebracht. De enkele mededeling hierover in een brief van de minister is volgens eiser onvoldoende. De rechtbank stelt vast dat uit de brief van de minister van 29 januari 2026 blijkt dat de regievoerder van de DTenV heeft laten weten dat betrokkene op 21 januari 2026 in het detentiecentrum is geplaatst. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat eiser niet binnen 24 uur na de inbewaringstelling in detentiecentrum Rotterdam is geplaatst. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling verder niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Op 27 februari 2025 heeft Zwitserland namelijk akkoord gegeven op het door Nederland ingediende claimverzoek.
Gronden
5. De zware en lichte gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Ten tijde van de inbewaringstelling bestond er dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
6. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser eerder zou worden overgedragen aan Duitsland, maar toen met onbekende bestemming is vertrokken. Bovendien heeft eiser zowel in het Dublin aanmeldgehoor als in het gehoor voorafgaand aan de bewaring aangegeven zelfmoord te zullen plegen wanneer hij terug moet keren naar Zwitserland. Ook in het vertrekgesprek van 23 januari 2026 heeft eiser gezegd niet terug te willen naar Zwitserland. De stelling van eiser dat hij langer in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) had kunnen blijven slaagt niet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met de medische en psychische toestand van eiser en dit ook voldoende bij het opleggen van de maatregel heeft betrokken. Zo is eiser tijdens de staande houding en het gehoor bijgestaan door een verpleegkundige. In de maatregel is daarnaast aangegeven dat eiser bij risico op suïcide in het detentiecentrum in een speciale kamer kan worden geplaatst, indien nodig onder cameratoezicht. Ook een observatiecel met constant toezicht is mogelijk. Eiser heeft daarnaast aangegeven door de stress last te hebben van hoofdpijn, pijn te hebben aan zijn borstkas, lies en been. Hij staat niet onder medische behandeling en gebruikt ook geen medicijnen. Eiser is er door de minister op gewezen dat er een medische dienst in het DTC Rotterdam aanwezig is waar hij een intake zal krijgen bij aankomst. De minister heeft in deze omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
6.2.
De rechtbank is ook overigens niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser. De overdracht van eiser is op 3 februari 2026 gepland.
Ambtshalve toets
8. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. [2] Bovendien is niet gebleken dat het beginsel van non-refoulement en/of de eerbiediging van haar gezins- of familieleven zich tegen de uitzetting van eiseres verzet. [3]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier¸ en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858.
3.Arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025 in de zaak GB tegen de Minister van Asiel en Migratie, C-313/25 PPU (Adrar), ECLI:EU:C:2025:647.