ECLI:NL:RBDHA:2026:17907

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL25.20383
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na niet-tijdig beslissen op aanvraag vreemdelingen

Eisers hebben op 1 mei 2025 een opvolgend beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op hun aanvraag van 31 oktober 2023. Op 23 december 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen. Hierop hebben eisers het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat de minister door het niet tijdig beslissen en het alsnog nemen van een besluit aan eisers is tegemoetgekomen. Op grond van artikel 8:75a van de Awb kan de rechtbank in dat geval de proceskosten toewijzen.

De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 467, gebaseerd op een puntensysteem met een wegingsfactor van 0,5 vanwege de beperkte aard van het beroep. Daarnaast moet de minister het griffierecht van € 194 vergoeden aan eisers.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 30 juni 2026 door rechter M.L. Weerkamp.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 467 en het griffierecht van € 194 wegens niet-tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.20383

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] , eiser,

[eiseres] ,eiseres,
mede namens de (minderjarige) kinderen:
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4]
samen: eisers,
V-nummer: [V-nummer 1] , [V-nummer 2] , [V-nummer 3] , [V-nummer 4] , [V-nummer 5] ,
[V-nummer 6]
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben op 1 mei 2025 een opvolgend beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag van 31 oktober 2023.
Op 23 december 2025 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.
Verzoekers hebben het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [3] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoekers heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen op deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoekers tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
4. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht van € 194 te vergoeden. Verzoekers zullen zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro);
  • bepaalt dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht van € 194 (honderdvierennegentig euro) moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 30 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.