ECLI:NL:RBDHA:2026:17898
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkheid asielaanvraag
Verzoeker diende op 10 december 2025 een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie verklaarde deze aanvraag op 8 januari 2026 niet-ontvankelijk. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een gerelateerde zaak (NL26.1567) op 8 april 2026. Verzoeker en zijn gemachtigde waren niet aanwezig bij de zitting, terwijl de gemachtigde van de minister wel aanwezig was.
Op 21 april 2026 deed de rechtbank uitspraak in de hoofdzaak (NL26.1567), waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag is afgewezen.