Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, een Iraakse asielzoeker, diende op 9 februari 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Deze aanvraag werd op 3 maart 2026 afgewezen door de minister van Asiel en Migratie. Verzoeker stelde op 11 maart 2026 beroep in tegen deze afwijzing, maar deed dit te laat volgens de geldende termijnen.
Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland kon afwachten en gebruik kon blijven maken van opvangvoorzieningen. Dit verzoek werd mede ingegeven door de mededeling van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) dat zijn opvang per 1 juli 2026 zou worden beëindigd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat hoewel er sprake was van onverwijlde spoed, het verzoek om een voorlopige voorziening moest worden afgewezen omdat het beroep te laat was ingediend en daardoor niet-ontvankelijk was. Er waren geen bijzondere omstandigheden die toegang tot opvang konden rechtvaardigen. De voorzieningenrechter verwees naar een aparte uitspraak waarin het beroep buiten zitting werd behandeld.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens te late indiening van het beroep, waardoor geen schorsende werking geldt.