ECLI:NL:RBDHA:2026:17894

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
C/09/704852 / KG ZA 26-484
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen fysiotherapiepraktijken tegen zorgverzekeraar voor marktconforme tarieven 2026-2027

De rechtbank Den Haag behandelde op 2 juli 2026 een kort geding waarin 1.575 fysiotherapiepraktijken vorderden dat CZ Zorgverzekeringen wordt verplicht marktconforme en kostendekkende tarieven te hanteren voor 2026 en 2027. De praktijken stelden dat de huidige tarieven onrealistisch en onrechtmatig zijn, met ernstige financiële gevolgen en een dreigend continuïteitsprobleem.

CZ voerde verweer dat de tarieven gebaseerd zijn op een deugdelijk kostenonderzoek en dat zij een wettelijke plicht heeft om zorg betaalbaar te houden. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) concludeerde recent dat er geen acuut toegankelijkheidsprobleem is in de fysiotherapiesector, maar wel risico's op middellange termijn.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de fysiotherapiepraktijken onvoldoende spoedeisend belang hebben aangetoond, mede omdat de financiële nood niet acuut is en een bodemprocedure kan worden afgewacht. Ook is onduidelijk of de vorderingen in een bodemprocedure zullen slagen. Daarom wees de rechtbank de vorderingen af en veroordeelde de praktijken in de proceskosten.

Uitkomst: Vorderingen van fysiotherapiepraktijken tot marktconforme tarieven worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/704852 / KG ZA 26-484
Vonnis in kort geding van 2 juli 2026
in de zaak van
1.575 FYSIOTHERAPIEPRAKTIJKEN, zoals omschreven in de op 10 juni 2026 door eisers overgelegde en aan dit vonnis gehechte lijst,
eisers,
advocaten mrs. K. Mous, S. Donkelaar en M. Jonkers te Arnhem,
tegen:
1. CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.te Tilburg,
2. CENTRALE ZORGVERZEKERINGEN NZV N.V., h.o.d.n. NATIONALE NEDERLANDEN ZORGte Tilburg,
3. OHRA ZORGVERZEKERINGEN N.V.te Tilburg,
4. ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ CZ GROEP U.A.te Tilburg,
gedaagden,
advocaten mrs. T.R.M. van Helmond, T.A.B. Vermunt en S.V.C. de Kroon te Amsterdam,
waarin zijn tussengekomen:
1. [tussenkomende praktijk 1] B.V.te [plaats 1] ,
2. [tussenkomende praktijk 2]te [plaats 2] ,
3. [tussenkomende praktijk 3]te [plaats 3] ,
4. [tussenkomende praktijk 4]te [plaats 4] ,
5. [tussenkomende praktijk 5]te [plaats 5] ,
advocaten mrs. T.A.M. van Oosterhout en J.A. Veldkamp te Utrecht.
Eisers worden hierna aangeduid als ‘de fysiotherapiepraktijken’ en gedaagden in enkelvoud als ‘CZ’. De tussenkomende partijen worden hierna zoveel mogelijk eveneens aangeduid als ‘de fysiotherapiepraktijken’ en waar nodig separaat als ‘de tussenkomende fysiotherapiepraktijken’.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de conceptdagvaarding, met producties 1 tot en met 67, waarop CZ vrijwillig is verschenen;
- de incidentele conclusie tot primair tussenkomst en subsidiair voeging, met producties A tot en met I;
- de akte van de fysiotherapiepraktijken houdende overlegging producties 68 tot en met 76;
- de op 4 juni 2026 door de fysiotherapiepraktijken overgelegde gecorrigeerde productie 1;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 12 (algemeen) en producties 1 tot en met 7 (specifiek voor CZ);
- de akte van de fysiotherapiepraktijken houdende overlegging producties 77 en 78;
- de op 10 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, ter gelegenheid waarvan deze zaak gelijktijdig met de kortgedingen met zaak- en rolnummers C/09/704833 / KG ZA 26-480, C/09/704855 / KG ZA 26-485 en C/09/704861 / KG ZA 26-487 is behandeld en door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd;
- de op 10 juni 2026 door de fysiotherapiepraktijken overgelegde gecorrigeerde productie 1.
1.2. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2. Het incident tot tussenkomst/voeging

2.1. De tussenkomende fysiotherapiepraktijken hebben primair gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen de fysiotherapiepraktijken en CZ dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de fysiotherapiepraktijken. Ter zitting hebben de fysiotherapiepraktijken en CZ verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. De tussenkomende fysiotherapiepraktijken zijn vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk hebben gemaakt dat zij daarbij voldoende belang hebben. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.

3. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1. De fysiotherapiepraktijken zijn alle aanbieders van fysiotherapeutische zorg in de eerste lijn.
3.2. CZ is een zorgverzekeraar. Zij heeft in 2023 voor de jaren 2024 tot en met 2026 met aanbieders van fysiotherapeutische zorg gecontracteerd. CZ hanteert een basisovereenkomst met een basistarief en twee module-overeenkomsten die een tariefopslag bieden aan fysiotherapiepraktijken die in dat verband aan bepaalde kwaliteits- of doelmatigheidscriteria voldoen.
3.3. In de gesloten overeenkomsten is geregeld op welke wijze en onder welke voorwaarden fysiotherapiepraktijken fysiotherapeutische zorg leveren aan de verzekerden van CZ. CZ hanteert voor de overeengekomen contractjaren tarieven voor de aan verzekerden van CZ te verlenen fysiotherapeutische zorg. Deze tarieven zijn opgenomen in een tarievenlijst, die deel uitmaakt van de gesloten overeenkomsten.

4. Het geschil

4.1. De fysiotherapiepraktijken vorderen – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor 2026:
primair
A. CZ te gebieden vanaf 1 januari 2026 in de fysiotherapietarieven rekening te houden met reële loonkosten, door binnen veertien dagen na datum van dit vonnis alle tarieven die onderdeel uitmaken van de gesloten fysiotherapieovereenkomsten te verhogen met 45,2%;
subsidiair
B. CZ te gebieden vanaf 1 januari 2026 in de fysiotherapietarieven rekening te houden met een productiviteit van 64% door binnen veertien dagen na datum van dit vonnis het tarief voor:
meer subsidiair
C. CZ te gebieden vanaf 1 januari 2026 in de fysiotherapietarieven rekening te houden met een productiviteit van 66% door binnen veertien dagen na datum van dit vonnis het tarief voor:
nog meer subsidiair (1)
D. CZ te gebieden vanaf 1 januari 2026 in de fysiotherapietarieven rekening te houden met achterstallige indexaties vanaf 2007 door binnen veertien dagen na datum van dit vonnis het tarief voor:
nog meer subsidiair (2)
E. CZ te gebieden vanaf 1 januari 2026 de fysiotherapietarieven te baseren op de door Gupta Strategists (hierna: ‘Gupta’) berekende kostprijzen (prijspeil 2018), vermeerderd met de NZa-indexatiecijfers voor personele- en materiële kosten (in de verhouding 71%/29%) over de jaren 2018 tot en met 2026, door binnen veertien dagen na datum van dit vonnis het tarief voor:
uiterst subsidiair
F. CZ te gebieden om binnen veertien dagen na datum van dit vonnis de fysiotherapietarieven deugdelijk te onderbouwen;
in alle gevallen
G. CZ te verbieden om de vergoedingen/opslagen die zijn bedoeld om te voldoen aan aanvullende eisen (ten opzichte van de basiseisen) ten nadele van de fysiotherapiepraktijken te wijzigen zonder dat (voorafgaand) kostprijsonderzoek is gedaan waaruit blijkt van een rechtvaardiging voor die wijziging;
II. voor 2027:
primair
H. CZ te gebieden de fysiotherapietarieven te baseren op de verhoogde 2026-fysiotherapietarieven, vermeerderd met een indexatie op basis van de voorlopige NZa-prijsindexcijfers voor personele- en materiële kosten (in de verhouding 71%/29%) voor 2027;
subsidiair
I. CZ te gebieden onderzoek te doen naar de kosten van fysiotherapie;
J. CZ te gebieden de fysiotherapietarieven te baseren op de resultaten van dit kostprijsonderzoek;
in alle gevallen
K. CZ te verbieden om de vergoedingen/opslagen die zijn bedoeld om te voldoen aan aanvullende eisen (ten opzichte van de basiseisen) ten nadele van de fysiotherapiepraktijken te wijzigen, tenzij:
  • (voorafgaand) kostprijsonderzoek is gedaan waaruit de rechtvaardiging volgt voor een wijziging van die vergoedingen/opslagen;
  • de aanvullende eisen vervallen.

III. Dwangsom en proceskosten:

L. te bepalen dat CZ een hoofdelijke dwangsom verbeurt als zij niet voldoet aan de gevorderde geboden/verboden;
M. CZ hoofdelijk te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Daartoe voeren de fysiotherapiepraktijken – samengevat – het volgende aan. Op grond van de redelijkheid en billijkheid die hun rechtsverhouding met CZ zowel precontractueel als contractueel beheerst, rust op CZ een zorgvuldigheidsverplichting om voor de aan haar verzekerden verleende fysiotherapeutische zorg reële, kostendekkende en deugdelijk onderbouwde tarieven te hanteren en deze te indexeren. Dit klemt volgens hen temeer nu vanwege de economische machtspositie en de aanmerkelijke markmacht van de zorgverzekeraars sprake is van een grote mate van afhankelijkheid van de praktijken ten opzichte van de zorgverzekeraars en er in veel gevallen sprake is van een langdurige contractuele relatie. De fysiotherapiepraktijken stellen dat zij uit economische noodzaak en niet uit vrije wil hun huidige overeenkomst(en) met daarin niet-onderhandelbare tarieven met CZ hebben gesloten. CZ hanteert in het kader van die tussen hen gesloten overeenkomsten geen reële tarieven en dat is naar de mening van de fysiotherapiepraktijken onrechtmatig, omdat CZ daarmee onvoldoende rekening houdt met hun gerechtvaardigde belangen. Als gevolg van de door CZ gehanteerde irreële tarieven is volgens de fysiotherapiepraktijken een onhoudbare situatie ontstaan en is onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk om de continuïteit van zowel de fysiotherapeutische zorg als die van hun ondernemingen veilig te stellen. CZ weigert tot op heden ondanks diverse verzoeken om een noodzakelijke verhoging van de tarieven door te voeren. Daarnaast stellen de fysiotherapiepraktijken dat CZ heeft nagelaten om de door haar gehanteerde tarieven deugdelijk te onderbouwen. De fysiotherapiepraktijken stellen dat CZ zich daarom bij gebreke van die onderbouwing, bij voorkeur in de vorm van een kostprijsonderzoek, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet op de overeengekomen eenzijdig door haar opgestelde tarieven kan beroepen. De daardoor ontstane leemte in de met CZ gesloten overeenkomsten dient naar de mening van de fysiotherapiepraktijken aan de hand van de redelijkheid en billijkheid te worden ingevuld en wel zodanig dat CZ bij wege van voorlopige voorziening wordt verplicht om op een van de gevorderde manieren alsnog reële, kostendekkende en deugdelijk onderbouwde tarieven voor 2026 te hanteren en deze ook voor het jaar 2027 aan te bieden.
4.3.
Dat sprake is van irreële tarieven blijkt volgens de fysiotherapiepraktijken uit het feit dat a) als gevolg van die tarieven het onmogelijk is om een cao voor eerstelijnsfysiotherapeuten te sluiten b) fysiotherapeuten in de eerste lijn ondanks een vergelijkbare functiezwaarte 63,72% minder verdienen dan fysiotherapeuten in de tweede lijn, c) 16% van de praktijkhouders zichzelf noodgedwongen een vergoeding onder het bijstandsniveau uitkeert, d) meer dan de helft van de praktijkhouders in het eerste kwartaal van 2026 overwoog om de praktijk af te stoten, e) fysiotherapeuten circa 10% van hun tijd onbetaald werken, f) de huidige tarieven ver onder de door Gupta berekende kostprijs over 2018 liggen, g) de tarieven vanaf 2006 structureel ontoereikend zijn geïndexeerd, h) meer fysiotherapeuten uitstromen dan dat er bijkomen, de instroom van studenten fysiotherapie sterk daalt en de helft van de startende fysiotherapeuten binnen vijf jaar stopt en i) een groot aantal fysiotherapiepraktijken dit kort geding is gestart.
4.4.
De fysiotherapiepraktijken stellen dat zij een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. In dat verband wijzen de fysiotherapiepraktijken erop dat a) zij voor het overgrote deel van hun omzet afhankelijk zijn van de vergoedingen van zorgverzekeraars, b) de financiële situatie in veel praktijken op dit moment erg slecht is, waardoor zij hun personeel geen marktconform salaris kunnen betalen, werknemers onbetaald arbeid verrichten, investeringen niet kunnen worden gedaan en veel fysiotherapeuten met hun vak stoppen, c) sprake is van een structurele machtsongelijkheid doordat te sluiten overeenkomsten niet-onderhandelbaar zijn, d) op 26 maart 2026 is gebleken dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), met instemming van de minister van VWS, geen minimumtarieven als regulerend instrument voor eerstelijnsfysiotherapie zal vaststellen, waardoor een tot dat moment reëel geachte oplossing definitief buiten bereik is geraakt, e) de rechter in de markt voor hulpmiddelenaanbieders (orthopedisch schoeisel en voetzorg) heeft ingegrepen bij een vergelijkbare tariefproblematiek, f) sprake is van een voortdurende onrechtmatige situatie die doorwerkt in hun dagelijkse bedrijfsvoering en positie en g) een bodemprocedure niet kan worden afgewacht, omdat het financieel nadeel als gevolg van het uitblijven van reële tarieven iedere dag groter wordt.
4.5.
CZ voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4.6.
De tussenkomende fysiotherapiepraktijken vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de fysiotherapiepraktijken toe te wijzen en CZ te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.7.
Verkort weergegeven stellen ook de tussenkomende fysiotherapiepraktijken dat CZ al sinds 2006 geen reële tarieven voor fysiotherapie hanteert en dat zij evenmin voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe haar tarieven zijn opgebouwd en hoe loon- en prijsstijgingen daarin zijn verdisconteerd. Volgens de tussenkomende fysiotherapiepraktijken is daarmee van een objectief, transparant en non-discriminatoir inkoopbeleid van CZ geen sprake. Daarmee handelt CZ naar de mening van de tussenkomende fysiotherapiepraktijken in strijd met de krachtens de redelijkheid en billijkheid op haar rustende zorgvuldigheidsverplichting.
5. De beoordeling van het geschil
5.1.
In deze procedure vorderen de fysiotherapiepraktijken dat de voorzieningenrechter ingrijpt in de tariefstelling van CZ voor zowel 2026 als 2027 en daarnaast vorderen zij dat CZ haar tarieven (nader) onderbouwt dan wel een kostprijsonderzoek verricht. Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Uit artikel 254 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat het bestaan van een spoedeisend belang een voorwaarde is voor het treffen van een voorlopige voorziening in kort geding. Concreet betekent dit naar vaste rechtspraak dat het belang van de fysiotherapiepraktijken bij de gevorderde voorzieningen, afgezet tegen het belang van CZ bij behoud van de huidige situatie, op dit moment zodanig spoedeisend moet zijn dat een oordeel in een bodemprocedure door de fysiotherapiepraktijken niet kan worden afgewacht. Bij die in het kader van het spoedeisend belang te maken belangenafweging speelt de mate van waarschijnlijkheid dat een bodemrechter de vorderingen van de fysiotherapiepraktijken in een bodemprocedure zal toewijzen eveneens een rol, in die zin dat hoe meer duidelijkheid er over de feiten en over de rechtsverhouding bestaat en hoe minder zwaarwegend de belangen zijn van CZ die zich verzetten tegen het geven van een voorlopige voorziening, des te minder hoge eisen er mogen aan de spoedeisendheid van het belang van de fysiotherapiepraktijken bij de gevorderde voorzieningen mogen worden gesteld.
5.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de fysiotherapiepraktijken de lat voor het vereiste spoedeisend belang in dit kort geding niet hebben gehaald. Daartoe is van belang dat de fysiotherapiepraktijken onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat op dit moment sprake is van een acute noodsituatie als gevolg van de volgens hen door CZ gehanteerde irreële tarieven voor fysiotherapie. De fysiotherapiepraktijken stellen dat CZ de door haar gehanteerde tarieven voor fysiotherapeutische zorg al sinds 2006 onvoldoende heeft geïndexeerd. Hoewel volgens de fysiotherapiepraktijken dus al zo’n twintig jaar sprake is van irreële tarieven, hebben zij daarin kennelijk tot het uitbrengen van de dagvaarding in deze kortgedingprocedure geen aanleiding gezien om aanpassing van die tarieven in rechte af te dwingen. Dit roept de vraag op waarom van de fysiotherapiepraktijken op dit moment niet zou kunnen worden gevergd dat zij de uitkomsten van een (nog starten) bodemprocedure over die tarieven afwachten. De fysiotherapiepraktijken stellen in dat verband dat op dit moment sprake is van een volstrekt onhoudbare situatie, maar zijn er niet geslaagd om die stelling deugdelijk te onderbouwen. CZ stelt terecht dat in deze procedure niet aannemelijk is geworden dat de fysiotherapiepraktijken als gevolg van de door hen gestelde ontoereikende tarieven op dit moment financieel in dusdanig zwaar weer verkeren, dat het merendeel van hen op korte termijn als gevolg daarvan in hun voorbestaan wordt bedreigd. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de NZa de situatie in de fysiotherapiesector nog recent heeft onderzocht en de NZa het in deze kortgedingprocedure door de fysiotherapiepraktijken ingenomen standpunt dat op dit moment in die sector sprake is van een onhoudbare situatie niet onderschrijft. Dit volgt uit het door de NZa uitgevoerde Marktonderzoek Fysiotherapeutische zorg, naar aanleiding waarvan de NZa op 4 februari 2026 een eindrapport heeft opgemaakt. De omstandigheid dat de NZa in dit onderzoek heeft getoetst of de hoge lat voor ingrijpen in de vorm van het invoeren van minimumtarieven in de fysiotherapie (te weten: marktfalen) wordt gehaald – hetgeen een andere kwestie is dan die in dit kort geding voorligt – laat onverlet dat de NZa in dit rapport eveneens in bredere zin over de stand van zaken in de fysiotherapiesector heeft gerapporteerd. De NZa concludeert in paragraaf 1.1 van dit rapport dat er op dit moment in de fysiotherapie ‘geen stelselbreed toegankelijkheidsprobleem zichtbaar is’. Daarnaast voorziet de NZa blijkens paragraaf 1.2.1 en 1.2.2 eerst op de middellange termijn risico’s voor de continuïteit van fysiotherapeutische zorg (in de eerste lijn). Voor dit geschil is in dat verband de volgende overweging van de NZa in paragraaf 1.2.1 van belang:
“Op dit moment functioneert de fysiotherapiesector over het algemeen goed; er zijn geen acute signalen van verminderde toegankelijkheid en er zijn geen structurele problemen zichtbaar in de zin van wachttijden, bereikbaarheid of het beschikbare aanbod. Tegelijkertijd laten de onderliggende trends, zoals achterlopende beloning voor eerstelijnsfysiotherapeuten in loondienst, financiële druk bij (sommige) praktijken en geleidelijke toename van de uitstroom, zien dat de sector kwetsbaar is. Deze ontwikkelingen vormen geen bewijs voor marktfalen, maar vragen wel om de juiste inzet van veldpartijen en overheid omdat deze trends wijzen op een toekomstig risico voor de continuïteit van zorg.”
Tegenover deze bevindingen van de NZa, die, alhoewel het bestaan van financiële druk bij (sommige) praktijken wel wordt benoemd, het gestelde bestaan van een acute noodsituatie weerspreken, staan de door de fysiotherapiepraktijken overgelegde correspondentie die de beroepsverenging van fysiotherapeuten (KNGF)/individuele fysiotherapiepraktijken over de tariefstelling met CZ hebben gevoerd en de verklaringen van individuele fysiotherapiepraktijken over hun financiële situatie. Deze correspondentie en verklaringen leggen echter onvoldoende gewicht in de schaal om in het kader van dit kort geding aan de bevindingen van de NZa voorbij te gaan en niettemin de door de fysiotherapiepraktijken gestelde acute noodsituatie en daarmee een (voldoende) spoedeisend belang aan de zijde van de fysiotherapiepraktijken aan te nemen. Dat de risico’s die de NZa op de middellange termijn voorziet zich vóór het doorlopen van een bodemprocedure zullen verwezenlijken, is op dit moment onvoldoende aannemelijk gemaakt.
5.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan het vereiste spoedeisend belang in dit kort geding hoge eisen mogen worden gesteld. Daartoe is in de eerste plaats van belang dat CZ uitvoerig heeft gemotiveerd dat er aan haar zijde sprake is van een zwaarwegend belang om niet op de door de fysiotherapiepraktijken gevorderde wijze tot ingrijpen in de tarieven over te gaan. CZ heeft in dat verband onweersproken aangevoerd dat met het gevorderde ingrijpen in de vorm van tariefverhogingen aanzienlijke bedragen zijn gemoeid. CZ heeft er daarbij op gewezen dat op zorgverzekeraars een wettelijke plicht rust om te sturen op betaalbaarheid van de zorg in brede zin via een doelmatige inzet van de schaarse beschikbare middelen. Deze wettelijke plicht laat volgens CZ niet toe dat wordt overgegaan tot de door de fysiotherapiepraktijken verlangde tariefverhogingen. De fysiotherapiepraktijken stellen daar in de kern tegenover dat CZ grote winsten boekt en dat zij beschikt over forse reserves, waaruit de tariefverhogingen zouden kunnen worden bekostigd. Zoals CZ terecht opmerkt, zijn verzekeraars gebonden aan regels voor wat betreft het uitkeren van winst en het aanhouden van reserves en is het dus niet zo dat de verlangde tariefverhogingen zonder meer kunnen worden bekostigd op de wijze die de fysiotherapiepraktijken kennelijk voor ogen staat. Dit betekent dat voorshands niet kan worden uitgesloten dat de verlangde tariefverhogingen gepaard zullen gaan met een stijging van de zorgkosten die uiteindelijk via een verhoging van de premies voor verzekerden dient te worden bekostigd. Dit betekent dat voorshands evenmin kan worden uitgesloten dat de verlangde tariefverhogingen zich niet althans niet volledig laten rijmen met een deugdelijke uitvoering van de wettelijke plicht waarop CZ zich beroept. Niet onaannemelijk is daarmee dat er een zwaarwegend belang aan de zijde van CZ is om niet tot die tariefverhogingen over te gaan.
5.4.
Het stellen van hoge eisen aan het spoedeisend belang laat zich in nog veel belangrijkere mate rechtvaardigen door het feit dat op basis van het in deze kortgedingprocedure gevoerde partijdebat nog volstrekt onduidelijk is of de vorderingen van de fysiotherapiepraktijken in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Meer in het bijzonder kan niet met de vereiste mate van aannemelijkheid worden aangenomen dat een bodemrechter tot de conclusie zal komen dat de door CZ met de fysiotherapiepraktijken overeengekomen tarieven irreëel zijn en dat een onverkorte toepassing door CZ van die tarieven naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Evenmin is voldoende aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat CZ de overeengekomen tarieven onvoldoende inzichtelijk heeft onderbouwd en dat een kostprijsonderzoek is aangewezen. Daartoe is van belang dat CZ de uitvoerig door de fysiotherapiepraktijken gemotiveerde stellingen dat sprake is van irreële en ondeugdelijk onderbouwde tarieven voor fysiotherapie gemotiveerd heeft weersproken. Daarbij heeft CZ onder meer het standpunt ingenomen dat de gecontracteerde tarieven hun basis vinden in het breed gedragen en inmiddels rechterlijk getoetst Kostenonderzoek paramedische zorg dat Gupta in de periode van september 2019 tot januari 2020 in opdracht van Zorgverzekeraars Nederland, het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie, de Stichting Keurmerk Fysiotherapie en het Paramedisch Platform Nederland heeft uitgevoerd. In dit onderzoek heeft Gupta volgens CZ op een deugdelijke en zorgvuldige wijze de kostprijs per prestatie in 2018 onderzocht en om die reden kan dit kostenonderzoek naar haar mening een deugdelijke basis vormen voor de thans overeengekomen tarieven. Daarnaast stelt CZ gemotiveerd dat zij deze tarieven na het implementeren van de uitkomsten van het kostenonderzoek van Gupta ook toereikend heeft geïndexeerd. Daarbij stelt CZ meer in het bijzonder dat de fysiotherapiepraktijken in hun betoog ten onrechte zowel de prestatie- als de contractmix buiten beschouwing hebben gelaten. Ook miskennen de fysiotherapiepraktijken volgens CZ dat sprake is van een onbenut doelmatigheidspotentieel en gaat de vergelijking met de salarissen van fysiotherapeuten in de tweede lijn mank. De fysiotherapiepraktijken, op wie zowel de stelplicht als de bewijslast ten aanzien van het bestaan van irreële en ondeugdelijk gemotiveerde tarieven rust, hebben weliswaar op hun beurt de door CZ ingenomen standpunten weersproken, maar zonder nader feitenonderzoek en/of bewijslevering kan niet worden vastgesteld wie van partijen het gelijk op de verschillende geschilpunten aan haar/hun zijde heeft. In het beperkte bestek van deze kortgedingprocedure is voor nader feitenonderzoek en/of bewijslevering geen plaats. De omstandigheid dat onduidelijk is of een bodemrechter de vorderingen van de fysiotherapiepraktijken zal toewijzen, staat daarmee aan het aannemen van het vereiste spoedeisend belang in de weg. Daarbij tekent de voorzieningenrechter nog aan dat ook als het vereiste spoedeisend belang wel zou worden aangenomen, de hiervoor geschetste onduidelijkheid over de uitkomst van een bodemprocedure eveneens een zelfstandige grond vormt voor afwijzing van de vorderingen in dit kort geding.
5.5.
Bij gebreke van een voldoende spoedeisend belang zijn de vorderingen van de fysiotherapiepraktijken en de tussenkomende fysiotherapiepraktijken in dit kort geding niet toewijsbaar. Hetgeen overigens nog door partijen is aangevoerd, behoeft bij die stand van zaken geen (verdere) bespreking. De fysiotherapiepraktijken en de tussenkomende fysiotherapiepraktijken zullen als de in het ongelijk gestelde partijen, hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van CZ worden begroot op:
- griffierecht € 735,--
- salaris advocaat € 1.177,--
- nakosten € 189,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.101,--
5.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst het gevorderde af;
6.2.
veroordeelt de fysiotherapiepraktijken en de tussenkomende fysiotherapiepraktijken hoofdelijk in de proceskosten van CZ ad € 2.101,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de fysiotherapiepraktijken en de tussenkomende fysiotherapiepraktijken niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 98,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.3.
veroordeelt de fysiotherapiepraktijken en de tussenkomende fysiotherapiepraktijken hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
mw