ECLI:NL:RBDHA:2026:17866

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
C/09/701595 / FA RK 26-2679
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:377b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige omgangsregeling en raadsonderzoek bij huiselijk geweld in gezagszaak

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met zijn minderjarige kind, dat feitelijk bij de moeder verblijft. De ouders zijn Iraans en het kind heeft eveneens de Iraanse nationaliteit. De vader wenst omgang in het weekend en dagelijks telefonisch contact, terwijl de moeder verweer voert vanwege een incident waarbij de vader de moeder met een mes bedreigde, wat leidde tot een huisverbod en opvang van moeder en kind op een geheime locatie.

De rechtbank oordeelt dat de situatie complex is en onvoldoende is geïnformeerd om een definitieve beslissing te nemen. Daarom wordt de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten naar de veiligheid van het kind, de noodzaak van omgang en eventuele hulpverlening. In afwachting daarvan wordt een voorlopige regeling getroffen waarbij het kind wekelijks onder begeleiding telefonisch contact heeft met de vader.

Daarnaast wordt een informatieregeling vastgesteld waarbij de moeder maandelijks per e-mail relevante informatie over het kind aan de vader verstrekt. Fysieke omgang wordt voorlopig niet toegestaan vanwege veiligheidszorgen en de geheime verblijfplaats van moeder en kind. De behandeling wordt aangehouden tot ontvangst van het rapport van de Raad, waarna verdere stappen worden overwogen.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige omgangsregeling en informatieregeling vast en beveelt een raadsonderzoek vanwege veiligheidsrisico's na huiselijk geweld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2679
Zaaknummer: C/09/701595
Datum beschikking: 1 juni 2026

Omgang en informatieregeling

Beschikking op het op 17 maart 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. K. Mohasselzadeh in Voorburg.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Neermawatie Nandoe in Voorburg.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift namens de vader;
  • het bericht van 28 april 2026 met bijlage namens de vader;
  • het verweerschrift, met bijlagen, namens de moeder.
Op 4 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat en tolk N.A. Adel, de moeder met haar advocaat en tolk F. Flippo-Wassa en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • De vader en de moeder zijn getrouwd op [dag] 2012 in [plaats] , Iran.
  • Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , [geboorteland] .
  • [minderjarige] verblijft feitelijk bij de moeder.
  • De ouders en [minderjarige] hebben de Iraanse nationaliteit.

Verzoek en verweer

De vader verzoek:
  • een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige] ieder weekend bij vader verblijf en elke avond een of twee uur een bezoekregeling met de vader heeft;
  • te bepalen dat de moeder een keer per maand per email de vader informeert over recente ontwikkelingen wat betreft de schoolprestaties van [minderjarige] en over zijn gezondheid en groei;
met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu [minderjarige] de gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken.
Omgang
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Lid 3 van dit artikel bepaalt (voor zover hier van belang) dat omgang slechts wordt ontzegd indien omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang of omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Inhoudelijke beoordeling
De vader stelt dat de moeder in juli 2025 met [minderjarige] is weggegaan en al het contact is verbroken. De moeder reageert niet op verzoeken van de vader om contact te hebben met zijn kind.
De vrouw voert verweer. Op 9 mei 2025 heeft de vader de moeder in het bijzijn van [minderjarige] met een mes bedreigd. De vader heeft vervolgens een huisverbod gekregen voor de duur van tien dagen, verlengd met nogmaals achttien dagen. Voordat de vader naar de woning kon terugkeren, is de moeder met [minderjarige] opgevangen door een crisisteam en, op advies van Veilig Thuis, uit de woning gevlucht. De vrouw verblijft sindsdien met [minderjarige] op een geheime locatie. Kort hierna is aan de vader tot tweemaal toe door hulpverlening aangeboden telefonisch contact met [minderjarige] te hebben en heeft de vader dit volgens de moeder geweigerd. De moeder stelt dat de vader nu contact wil met [minderjarige] omdat hij uitgezet dreigt te worden. De vader moet kunnen aantonen dat hij een omgangsregeling met zijn zoon heeft zodat hij in Nederland kan blijven. De moeder vreest voor de veiligheid van [minderjarige] en haar eigen veiligheid als de vader omgang met [minderjarige] heeft. Ze is, onder andere, bang dat de vader [minderjarige] zal manipuleren om zo de verblijfplaats van de moeder te achterhalen.
De rechtbank oordeelt als volgt. Gelet op het voorgaande en de complexiteit van de situatie, acht de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd om een definitieve beslissing op de verzoeken te nemen. De rechtbank is daarom, gelet op hetgeen uit de stukken en op de zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat een onderzoek door de Raad geïndiceerd is. Dit onderzoek moet in ieder geval gericht zijn op de nader in het dictum te noemen vragen. Daarnaast wordt de Raad gevraagd of verdere hulpverlening noodzakelijk is en zo ja, welke hulpverlening ingezet kan worden voor de vader, de moeder en [minderjarige] gezamenlijk of individueel.
In afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek zal de rechtbank een voorlopige omgangsregeling vaststellen. Op de zitting zijn de ouders een voorlopige telefonische omgangsregeling overeengekomen. [minderjarige] zal eens per week videobellen met de vader onder begeleiding van een vriendin van de moeder. De advocaten van de ouders zullen in onderling overleg een vast wekelijks moment bepalen, aan de hand van de beschikbaarheid van de vriendin van de moeder. De rechtbank acht deze voorlopige regeling in het belang van [minderjarige] en zal overeenkomstig beslissen.
Ter zitting is nog gesproken over fysieke omgang tussen [minderjarige] en de vader. Besproken is dat deze omgang begeleid zou moeten zijn, in afwachting van het Raadsonderzoek. Omdat de moeder met [minderjarige] op een geheim adres verblijft, kan de rechtbank partijen niet voor omgangsbegeleiding doorverwijzen zonder dat daarmee bekend wordt in welke gemeente de moeder en [minderjarige] verblijven. De rechtbank heeft na de zitting partijen gevraagd zich uit te laten over de mogelijkheden die zij zien voor begeleide omgang. De moeder heeft aangegeven geen andere opties te zien dan de eveneens op zitting besproken videobelmomenten. De vader heeft niet gereageerd. De rechtbank zal daarom geen voorlopige fysieke omgangsmomenten vaststellen.
Iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang zal pro forma worden aangehouden tot na te melden pro formadatum. Na ontvangst van het rapport en het advies van de Raad zal de rechtbank bezien of een nadere mondelinge behandeling nodig is. Indien de behandeling ter zitting wordt voortgezet, zal ook de Raad voor deze zitting worden opgeroepen.
Informatieregeling
Wettelijk kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:377b BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van de ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
Inhoudelijke beoordeling
De vader stelt dat hij geen informatie ontvangt van de moeder over [minderjarige] . Zo weet hij niet naar welke basisschool [minderjarige] toe gaat en heeft de vader geen informatie over de ontwikkeling van [minderjarige] . De vader wordt hierdoor beperkt in het uitoefenen van het gezag.
De moeder is bereid de vader te informeren over het welzijn en de ontwikkelingen van [minderjarige] . Dit is uit de bespreking op zitting gebleken. Op de zitting is afgesproken dat de moeder de vader maandelijks, op de eerste van de maand, per mail relevante informatie zal verschaffen over de ontwikkeling, gezondheid, schoolprestaties en welzijn van [minderjarige] . Daarbij is ook afgesproken dat zij een recente foto van [minderjarige] zal meesturen. De moeder zal de vader voor het eerst informeren in de week na de zitting. Aangezien de rechtbank deze informatieregeling in het belang van [minderjarige] acht, zal zij overeenkomstig beslissen.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , [geboorteland] , voorlopig eens per week telefonisch contact zal hebben met de vader, welk begeleid zal worden door een vriendin van de moeder en welk moment in overleg met de advocaten van de ouders bepaald zal worden;
*
bepaalt dat de moeder de vader elke eerste van de maand relevante informatie moet geven over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , [geboorteland] , met bijgevoegd een recente foto van [minderjarige] ;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
dat onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen:
  • Zijn er zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader?;
  • Is vaststelling van een omgangsregeling met de vader in het belang van [minderjarige] ?;
  • Als de Raad van mening is dat omgang tussen de vader en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] is: op welke wijze kan dat contact gerealiseerd worden? De rechtbank verzoekt de Raad indien nodig/mogelijk de omgang op te starten met behulp van proefcontacten;
  • Is verdere hulpverlening nodig om het contact tussen de vader en [minderjarige] te bevorderen? Zo ja, welke hulpverlening is het meest passend?;
  • Zijn er volgens de Raad nog andere zaken van belang bij de beoordeling van de zaak?;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
houdt de behandeling aan tot
1 december 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling aan;

*
verklaart deze beschikking voor zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 1 juni 2026.