ECLI:NL:RBDHA:2026:17849

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
C/09/702909 / FA RK 26-3449
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 237 RvArt. 289 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming voor aanmelding minderjarige bij Schoolmaatschappelijk werk

De moeder verzocht de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen voor het aanmelden van haar minderjarige kind bij Schoolmaatschappelijk werk, omdat de vader zijn toestemming onthield. Het huwelijk van de ouders is ontbonden en zij oefenen gezamenlijk gezag uit over hun twee minderjarige kinderen. Eerdere verzoeken omtrent gezag en omgang werden afgewezen, en de vader was niet verschenen bij de zitting.

De moeder stelde dat de school had aangegeven dat het kind behoefte had aan hulpverlening vanwege moeite met zichzelf uiten en zich niet gehoord voelen. De vader had geen verweer gevoerd en de rechtbank achtte het belang van het kind zwaarder dan het ontbreken van toestemming van de vader. Daarom werd de vervangende toestemming toegekend.

Daarnaast veroordeelde de rechtbank de vader in de proceskosten van de moeder, omdat hij door het onthouden van zijn toestemming oneigenlijk gebruik maakte van zijn ouderlijk gezag. De proceskosten werden begroot op €281,- en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming aan de moeder voor aanmelding bij Schoolmaatschappelijk werk en veroordeelt de vader in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-3449
Zaaknummer: C/09/702909
Datum beschikking: 1 juni 2026

Vervangende toestemming Schoolmaatschappelijk werk

Beschikking op het op 7 april 2026 ingekomen verzoekschrift van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Seker in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 9 april 2026 van de moeder, met bijlagen;
  • het bericht van 17 april 2026 van de moeder, met bijlagen;
  • het bericht van 14 mei 2026 van de moeder, met bijlagen.
Op 18 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De vader is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.

Feiten

  • Het huwelijk van de moeder en de vader is door echtscheiding ontbonden.
  • Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] .
  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
  • Bij beschikking van 9 september 2025 van deze rechtbank, voor zover hier van belang, zijn de verzoeken in het kader van het eenhoofdig gezag en de ondertoezichtstelling afgewezen en is bepaald dat er voorlopig geen omgang zal zijn tussen de vader en de kinderen. Iedere beslissing ten aanzien van de zorgregeling, de dwangsom en de informatie- en consultatieregeling is aangehouden en de Raad is verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 15 april 2026 is het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling afgewezen.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 6 mei 2026 zijn alle verzoeken afgewezen.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • vervangende toestemming te verlenen aan de moeder die de toestemming van de vader vervangt om [minderjarige 2] aan te melden voor Schoolmaatschappelijk werk en de daaraan gekoppelde hulpverlening;
  • de vader te veroordelen in de kosten van de procedure.
De vader heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Vervangende toestemming Schoolmaatschappelijk werk
Volgens artikel 1:253a eerste lid van het Burgerlijk Wetboek kunnen in het geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hierover op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als zij in het belang van het kind wenselijk acht.
De moeder heeft in dit kader verzocht om vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 2] aan te melden voor Schoolmaatschappelijk werk en de daaraan gekoppelde hulpverlening. Zij stelt daartoe dat de school van [minderjarige 2] kenbaar heeft gemaakt dat hij behoefte heeft aan hulpverlening en hij moeite ervaart om voor zichzelf op te komen en aangeeft zich vaak niet gehoord te voelen. Volgens de moeder heeft de school de vader herhaaldelijk benaderd met het verzoek om hiervoor toestemming te verlenen en heeft de advocaat van de moeder de toestemmingsformulieren meegenomen naar de zitting van 1 april 2026. De vader is echter niet op de zitting verschenen. De moeder heeft onbetwist gesteld dat de formulieren zijn meegegeven aan de advocaat van de vader, en de moeder de formulieren niet heeft teruggekregen. De vader heeft evenwel geen verweer gevoerd. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, omdat ook niet is gebleken dat het belang van [minderjarige 2] zich hiertegen verzet. De rechtbank vindt het juist van groot belang dat hij zo snel mogelijk kan starten bij Schoolmaatschappelijk werk en de daaraan gekoppelde hulpverlening en zal de vervangende toestemming verlenen.
Proceskostenveroordeling
De moeder acht het, gelet op de houding van de vader, redelijk dat de vader in de proceskosten wordt veroordeeld. De vader heeft geen verweer gevoerd.
Op grond van artikel 289 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), bezien in samenhang met de artikelen 237 en verder Rv, kan de rechtbank een proceskosten-veroordeling uitspreken.
De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt in familiezaken is dat de proceskosten
worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt van deze hoofdregel afgeweken, bijvoorbeeld als de noodzaak tot het maken van proceskosten het gevolg is van misbruik van recht of een volstrekt onredelijke houding van de wederpartij. In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om, in afwijking van het uitgangspunt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt, de vader te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de vader door het onthouden van zijn toestemming om [minderjarige 2] aan te melden voor Schoolmaatschappelijk werk oneigenlijk gebruik maakt van zijn ouderlijk gezag.
Tijdens de mondelinge behandeling is de vader niet verschenen zodat hij de rechtbank ook niet heeft kunnen uitleggen waarom hij de toestemming niet heeft gegeven.
De rechtbank is uit de stukken gebleken dat de proceskosten van de moeder bestaan uit het griffierecht van € 93,- en de eigen bijdrage aan haar advocaat van € 188,-. De rechtbank begroot de door de vader aan de moeder te betalen proceskosten met betrekking tot deze procedure daarom op € 281,-. De rechtbank zal bepalen dat de vader deze kosten aan de moeder moet voldoen.

Beslissing

De rechtbank:
verleent toestemming aan de moeder – welke de toestemming van de vader vervangt – om [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] aan te melden voor Schoolmaatschappelijk werk en de daaraan gekoppelde hulpverlening;
veroordeelt de vader in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de moeder begroot op € 93,- aan griffierecht en € 188,- aan eigen bijdrage;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, (kinder)rechter, uitgesproken op de openbare zitting van 1 juni 2026.