ECLI:NL:RBDHA:2026:17843

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
NL25.61763 en NL26.6923
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 15 KwalificatierichtlijnArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Syriër wegens onvoldoende motivering en actuele informatie

Eiser, een Syrische asielzoeker, diende in mei 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Na overschrijding van de beslistermijn nam de minister van Asiel en Migratie in februari 2026 een besluit tot afwijzing van de aanvraag. Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen en tegen het inhoudelijke besluit.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is geworden omdat inmiddels een besluit is genomen. Het beroep tegen het inhoudelijke besluit is gegrond. De rechtbank stelt vast dat de minister onvoldoende actuele informatie heeft gebruikt over de veiligheidssituatie en humanitaire omstandigheden in Syrië, en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom individuele omstandigheden van eiser niet leiden tot een verhoogd risico op willekeurig geweld.

Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet te vrezen heeft voor rekrutering en discriminatie, en waarom de hogere toets uit het arrest Sufi en Elmi zou gelden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en onvoldoende actuele informatie; de minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.61763 en NL26.6923

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R. Achttienribbe),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. Noordeloos).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn asielaanvraag en tegen het alsnog genomen besluit waarin verweerder zijn asielaanvraag heeft afgewezen.
1.1.
Eiser heeft op 23 mei 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 17 december 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
1.2.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 februari 2026 eisers aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Omdat eiser zich niet kan verenigen met het genomen besluit, is het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege ook gericht tegen dit besluit. [1]
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Syrië in 2014 heeft verlaten vanwege de oorlog. Eiser vreest bij terugkeer naar Syrië gerekruteerd te worden door het huidige regime en slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hij heeft ook verklaard dat hij vreest voor problemen omdat hij geen identiteitsbewijs heeft en vanwege discriminatie. Eiser heeft verder verklaard dat hij op jonge leeftijd is vertrokken uit Syrië en daar geen netwerk heeft.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit vier asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de algemene situatie in Syrië;
3. discriminatie door Koerden;
4. rekrutering door het huidige regime.
3.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De overige asielmotieven heeft verweerder niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet te vrezen heeft voor discriminatie nu hij zelf nooit discriminatie heeft ondervonden en de voorbeelden waarover hij heeft gehoord, niet als daad van vervolging kunnen worden aangemerkt. Ook vindt verweerder het niet aannemelijk dat eiser te vrezen heeft voor rekrutering door het huidige regime, omdat er niet langer sprake is van verplichte militaire dienst of rekrutering. Dat eisers broer gevangen is genomen vanwege zijn weigering te vechten en eiser daardoor problemen zou ondervinden, vindt verweerder niet aannemelijk. Verder vindt verweerder dat van eiser verwacht kan worden dat hij in staat is om in Syrië een bestaan op te bouwen, nu hij een volwassen man is, familie heeft wonen in Syrië en de taal spreekt. Eisers familieleden die in Turkije verblijven kunnen hem daar op afstand bij helpen.
3.2.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15 van Pro de Kwalificatierichtlijn. [2] Uit het beleid [3] van verweerder volgt dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Er is sprake van een redelijke verbetering in de algemene veiligheids- en mensenrechtensituatie, ook in [plaats] (waar eiser vandaan komt). Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft geen risico verhogende individuele omstandigheden aangevoerd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert aan dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij geen documenten heeft overgelegd. De wijze waarop verweerder de geloofwaardigheid van de asielmotieven van eiser heeft beoordeeld, is daardoor in strijd met het Unierecht.
4.1.
Ook voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het niet aannemelijk zou zijn dat hij te vrezen heeft voor rekrutering. Dit geldt ook voor het feit dat niet aannemelijk wordt bevonden dat eisers broer gevangen is genomen vanwege gedwongen rekrutering. Gelet op de volatiele situatie en de gevechten met de Koerden is niet uit te sluiten dat gedwongen rekrutering plaatsvindt. Het feit dat eisers broer is gerekruteerd en gestraft, is een aanwijzing dat dit ook eiser kan overkomen. Bovendien zijn eisers persoonlijke omstandigheden, waaronder het ontbreken van een netwerk en scholing, ten onrechte niet of onvoldoende betrokken. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij niet te vrezen heeft vanwege discriminatie. Uit landeninformatie blijkt immers dat personen die terugkeren zonder identiteitsdocumenten problemen kunnen ervaren.
4.2.
Daarnaast voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van de hoogste gradatie van willekeurig geweld in Syrië en dat eiser geen risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De situatie in [plaats] is zeer volatiel en het geweld is daar weer opgelaaid. [4] Uit landeninformatie blijkt dat de aanwezigheid van familieleden en het hebben van familiebanden en een netwerk nodig is om te overleven bij terugkeer naar Syrië. [5] Eiser heeft geen netwerk om op terug te vallen en is laaggeschoold. Zijn familieleden zijn vertrokken uit Syrië en de gezinsleden van zijn broer in Syrië zijn kwetsbaar en zullen eerder afhankelijk zijn van hem dan andersom. Verweerder heeft deze individuele omstandigheden ten onrechte niet betrokken in de beoordeling. Ook heeft verweerder ten onrechte nagelaten de humanitaire omstandigheden in Syrië te betrekken in de 15c-beoordeling. Ten slotte voert eiser in dit kader aan dat
verweerder gelet op de veranderende omstandigheden en instabiele situatie in Syrië geen afwijzend besluit had kunnen nemen en had moeten motiveren waarom er geen besluitmoratorium is ingesteld. [6]
4.3.
Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij niet in een situatie terecht zal komen in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. [7] Zijn persoonlijke omstandigheden, de veiligheidssituatie en de humanitaire situatie in Syrië zijn daarbij onvoldoende betrokken. Verweerder heeft niet onderzocht of eiser als ontheemd persoon zonder netwerk, familie en huis in Syrië toegang zou hebben tot basisvoorzieningen. Ook heeft verweerder ten onrechte niet gemotiveerd waarom voldaan zou moeten worden aan de zwaardere toets uit het arrest Sufi en Elmi, in plaats van de lichtere toets.
4.4.
Verder doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Hij verkeert in een gelijke positie als andere Syriërs die in mei 2024 asiel hebben aangevraagd wiens aanvraag eerder is behandeld en wél een verblijfsvergunning asiel hebben gekregen. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het verlenen van een verblijfsvergunning aan eiser op grond van artikel 8 van Pro het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen. De rechtbank gaat eerst kort in op het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.
Het bHeaeroep niet tijdig beslissen en het beroep NL26.6923
6. Omdat het beroep oorspronkelijk gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zal de rechtbank hier eerst een oordeel over geven.
6.1.
Eiser heeft verweerder met de brief van 25 november 2025 in gebreke gesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat op dat moment de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling gelet daarop geldig was. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser op 17 december 2025 beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Op 3 februari 2026 heeft verweerder alsnog op eisers aanvraag beslist. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag komen te vervallen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen.
6.2.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op eisers asielaanvraag is genomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen.
6.3.
Eiser heeft tegen het besluit van 3 februari 2026 ook apart beroep ingesteld, wat is geregistreerd onder zaaknummer NL26.6923. Nu het beroep wat eiser (aanvankelijk) heeft ingediend tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege ook is gericht tegen het besluit van 3 februari 2026, [8] is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij de behandeling het beroep wat door hem is ingediend nadat het besluit van 3 februari 2026 is genomen. Het beroep NL26.6923 is daarom niet-ontvankelijk.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene situatie in Syrië?
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, [9] nu de in het besluit verrichte 15c-beoordeling niet volledig is. Verweerder heeft namelijk bij deze beoordeling nagelaten om de individuele omstandigheden van eiser en de meest actuele informatie over de (humanitaire) omstandigheden in Syrië te betrekken. [10]
7.1.
Verweerder heeft op basis van zijn beleid aangenomen dat er in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft dit standpunt gebaseerd op informatie uit de ambtsberichten over Syrië van mei 2025 en januari 2026. Verder heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de humanitaire situatie in Syrië niet of nauwelijks te wijten is aan een actor die partij is bij een lopend gewapend conflict, maar juist het gevolg is van jarenlange oorlog, internationale sancties en het regime Assad. Verweerder heeft erop gewezen dat de humanitaire situatie globaal moet worden meegewogen in de 15c-beoordeling als dit een direct of indirect gevolg is van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een actief gewapend conflict. Daarvan is volgens verweerder geen sprake en daarom spelen de humanitaire omstandigheden geen rol in de 15c-beoordeling. Verweerder heeft daarbij gewezen op een hoger beroepsschrift in een andere zaak, gedateerd van december 2025. In dat hoger beroepsschrift wordt verwezen naar bronnen en informatie uit de periode daaraan voorafgaand. Verweerder heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat de individuele omstandigheden van eiser geen risico verhogende factoren zijn.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voor de 15c-beoordeling heeft gebaseerd op onvoldoende actuele informatie, zowel voor de weging van de veiligheidssituatie als voor het beoordelen van de humanitaire situatie. Gelet op de volatiele situatie in Syrië had verweerder de huidige situatie in Syrië moeten beoordelen aan de hand van actuele bronnen en kon verweerder niet volstaan met de verwijzingen naar verouderde informatie. Eiser heeft zowel gedurende de bestuurlijke fase van de asielprocedure als in beroep gewezen op actuelere openbare bronnen – waarin de situatie in Syrië wordt beschreven tot en met eind maart 2026 – om zijn standpunt te onderbouwen dat er nog gevochten wordt rond [plaats] en om te onderbouwen dat de humanitaire situatie daar slechter is dan verweerder erkent. Verweerder heeft deze informatie niet betrokken. De beroepsgrond slaagt.
7.3.
De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van individuele omstandigheden die maken dat eiser een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft erop gewezen dat terugkeert zonder netwerk, woning of vangnet. Ter zitting heeft eiser uiteengezet waarom hij niet bij zijn schoonzus zal kunnen verblijven en waarom hij verwacht dat hij zelfs zal moeten zorgen voor zijn schoonzus en haar kinderen. Verweerder heeft deze omstandigheden niet kenbaar betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich daarom niet op dit standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van risico verhogende omstandigheden. De beroepsgrond slaagt.
Artikel 3 van Pro het EVRM
8. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ook onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.
8.1.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. [11] Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van Pro het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. [12]
8.2.
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi [13] twee situaties onderscheidt:
- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor het aannemen van een reëel risico op ernstige schade hoger.
8.3.
Verweerder heeft zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM geen sprake is. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden voldaan aan de hogere lat van
"very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling",omdat de humanitaire omstandigheden niet worden veroorzaakt door strijdende partijen. Deze conclusie heeft gebaseerd op het eerder genoemde hoger beroepsschrift en op een passage uit een rapport van UK Home Office van juli 2025, waarin staat dat
“the general humanitarian situation in Syria is not so severe that there are substantial grounds for believing that there is a real risk of serious harm”. [14] Volgens verweerder heeft eiser geen individuele omstandigheden aangevoerd waarmee de hoge lat wordt gehaald.
8.4.
De rechtbank is ten eerste van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de ‘lichtere’ toets. Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet namelijk gekeken worden naar eisers ‘
ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ [15] Met de enkele verwijzingen naar het hoger beroepsschrift uit december 2025 en het rapport van de UK Home Office uit juli 2025, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen. Beide stukken zijn immers gebaseerd op verouderde informatie. Ten aanzien van de aangehaald passage van de UK Home Office overweegt de rechtbank dat verweerder bovendien niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke verslagperiode het rapport ziet en op basis van welke informatie tot de uit het rapport aangehaalde conclusie wordt gekomen.
8.5.
Ten tweede heeft verweerder, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, onvoldoende gemotiveerd dat hieraan niet wordt voldaan. De rechtbank wijst er ook in dit kader opnieuw op dat verweerder zich enkel heeft gebaseerd op verouderde informatie. Bovendien heeft verweerder de individuele omstandigheden van eiser niet kenbaar betrokken in dit onderdeel van de beoordeling. Het enkele opsommen van de omstandigheden dat eiser terugkeert naar Syrië zonder woning en netwerk, is voor de rechtbank onvoldoende om na te kunnen gaan wat verweerder vindt van de vraag of deze omstandigheden maken dat eiser in dit kader een relevant risico loopt gelet op de (humanitaire) omstandigheden in Syrië. Daar komt bij dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom er vanuit moet worden gegaan dat eiser kan worden ondersteund door zijn schoonzus, ondanks de omstandigheden waarin zij en haar kinderen verblijven.
De overige beroepsgronden
9. De rechtbank volgt eiser verder in zijn betoog dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft voor rekrutering. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verweerder heeft het asielmotief van eiser over de rekrutering niet op geloofwaardigheid beoordeeld en enkel beoordeeld of eiser vanwege de rekrutering een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eisers broer is gevangen vanwege zijn weigering te vechten en eiser daardoor problemen zou ondervinden. Nu verweerder de beoordeling van de geloofwaardigheid van dit (onderdeel van het) asielmotief heeft overgeslagen, is voor de rechtbank niet na te gaan waarom verweerder dit (onderdeel van het) asielmotief dan wel het -relaas niet aannemelijk vindt. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek. Nu verweerder de conclusie over de aannemelijkheid van dit onderdeel van het motief heeft betrokken en tegengeworpen in de beoordeling van de zwaarwegendheid, ziet de rechtbank geen aanleiding om het geconstateerde gebrek te passeren.
10. Nu het bestreden besluit al wordt vernietigd vanwege de bovenstaande redenen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de overige beroepsgronden te beoordelen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep met nummer NL26.6923 is niet-ontvankelijk.
12. Het beroep met nummer NL25.61763 is niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen.
13. Het beroep met nummer NL25.61763 is gegrond voor zover het is gericht tegen het alsnog genomen besluit. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
14. Omdat verweerder te laat heeft beslist en omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.335,-. [16]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep met nummer NL26.6923 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep met nummer NL25.61763 niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit;
  • verklaart het beroep met nummer NL25.61763 gegrond voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit van 3 februari 2026;
  • vernietigt het bestreden besluit van 3 februari 2026;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
2.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).
3.Zie paragraaf C7/33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
4.Eiser verwijs daarbij naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23822 en naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 30 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14097. Eiser verwijst ook naar verschillende brieven van Vluchtelingenwerk Nederland.
5.Eiser verwijst daarbij naar een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 18 december 2025, waarin verschillende openbare rapporten worden weergegeven.
6.Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1169.
7.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
8.Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
9.Zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
10.De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij de uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.
12.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (
13.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (
14.UK Home Office, Country and policy information note: humanitarian situation Syria, juli 2025.
15.Arrest Sufi en Elmi, punt 283.
16.1 punt voor het indienen van het beroepschrift niet tijdig beslissen met een waarde per punt van