ECLI:NL:RBDHA:2026:17834

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
NL26.2579 en NL26.7253
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 3 EVRMArt. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering risico willekeurig geweld Syrië

Eiser, een Syrische jongvolwassene die op jonge leeftijd Syrië verliet, diende een asielaanvraag in die werd afgewezen door verweerder. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen het niet tijdig beslissen en tegen het inhoudelijke besluit. Hoewel het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is, oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is.

Verweerder baseerde zijn oordeel op een relatief laag niveau van willekeurig geweld in Syrië en sloot humanitaire omstandigheden uit de beoordeling uit, terwijl eiser stelde dat zijn persoonlijke omstandigheden en de actuele situatie in Syrië een reëel risico op ernstige schade opleveren. De rechtbank stelt vast dat verweerder onvoldoende rekening hield met actuele informatie en individuele omstandigheden, waaronder het vertrek van eiser op jonge leeftijd en het ontbreken van een vangnet.

Daarnaast concludeert de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en verweerder moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.2579 (beroep niet-tijdig beslissen) en NL26.7253 (beroep)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. Noordeloos).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn asielaanvraag en tegen het alsnog genomen besluit waarin verweerder zijn asielaanvraag heeft afgewezen.
1.1.
Eiser heeft op 21 augustus 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 15 januari 2026 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
1.2.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 februari 2026 eisers aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Omdat eiser zich niet kan verenigen met het genomen besluit, is het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege ook gericht tegen dit besluit. [1] Bij aanvullend besluit van 20 mei 2026 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken voor zover het een terugkeerbesluit betreft.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De gemachtigde van verweerder heeft de zitting bijgewoond via videoverbinding.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2008 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser was minderjarig en alleen in Nederland toen hij zijn asielaanvraag indiende. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Syrië op vierjarige leeftijd heeft verlaten vanwege de oorlog. Eiser vreest bij terugkeer naar Syrië slachtoffer te worden van geweld en ontvoering. Hij heeft ook verklaard dat hij niets weet over Syrië omdat hij op jonge leeftijd is vertrokken, dat zijn familie niet meer in Syrië woont en dat hij daar geen netwerk heeft.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit één asielmotief:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst.
3.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene situatie in Syrië. Er is volgens verweerder geen sprake van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. [2] Uit het beleid [3] van verweerder volgt dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Er is sprake van een redelijke verbetering in de algemene veiligheids- en mensenrechtensituatie. Geweldsuitbarstingen zijn incidenteel van aard en het aantal burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld is laag. [plaats] , waar eiser vandaan komt, staat bovendien onder controle van het Syrische leger. De humanitaire omstandigheden in Syrië zijn daarbij niet veroorzaakt door actieve partijen in het conflict en worden daarom niet meegewogen in de 15c-beoordeling. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft geen risico-verhogende individuele omstandigheden aangevoerd. De omstandigheden dat hij geen woning, netwerk of familie heeft in Syrië, zijn niet van dusdanige ernstige of uitzonderlijke aard dat deze leiden tot een reëel en voorzienbaar risico op ernstige schade.
3.2.
Verder heeft verweerder geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een buitenschuldvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling (AMV), omdat eiser tijdens de beslistermijn meerderjarig is geworden en het onderzoek naar de vraag of er voldoende opvangmogelijkheden zijn in het land van herkomst niet kon worden afgerond.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij niet te vrezen heeft vanwege de algemene veiligheidssituatie in Syrië. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld en dat eiser geen slachtoffer zal worden van willekeurig geweld. Deze kwalificatie komt niet overeen met de situatie in Syrië en in [plaats] , waar nog regelmatig gevochten wordt. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte de humanitaire omstandigheden in Syrië niet heeft betrokken in de 15c-beoordeling. Ten slotte voert eiser in dit kader aan dat verweerder ten onrechte zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft betrokken in de beoordeling. Eiser loopt extra risico in Syrië omdat hij op jonge leeftijd is vertrokken uit Syrië en dus niet bekend is met Syrië, hij terug zou keren naar Syrië zonder familie, vangnet, onderdak of inkomen, en het psychisch niet goed met hem gaat. Eiser is een jonge adolescent die zonder stabiliteit is opgegroeid als ontheemde in Turkije. Het geheel van deze omstandigheden maakt hem kwetsbaar en vatbaarder voor geweld en rekrutering bij terugkeer naar een regio waar ook IS weer actief is.
4.1.
Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te beoordelen of hij een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling [4] vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en de humanitaire situatie in Syrië.
4.2.
Verder voert eiser aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een buitenschuldvergunning. Eiser verwijst daarbij naar het arrest TQ [5] en een uitspraak van de hoogste bestuursrechter, [6] waaruit volgt dat verweerder voortvarend dient te handelen, dat het onderzoek naar adequate opvang binnen zes maanden afgerond dient te worden en dat als blijkt dat er geen adequate opvang mogelijk is, er een reguliere vergunning verleend dient te worden. In dit geval is bovendien duidelijk dat er geen adequate opvang beschikbaar is in Syrië, nu in het landenbeleid is vastgelegd dat er geen opvangvoorzieningen zijn in Syrië en eisers verklaringen over de afwezigheid van zijn familieleden onweersproken zijn. Nu aan eiser een buitenschuld vergunning had moeten zijn verleend, dient verweerder een beoordeling te maken van het geheel van de omstandigheden, waaronder de duur van de verleende vergunning, de situatie van eiser in Nederland en de situatie in het land van herkomst. Die beoordeling ontbreekt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen. De rechtbank gaat eerst kort in op het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.
Het beroep niet tijdig beslissen en het beroep met zaaknummer NL26.7253
6. Omdat het beroep oorspronkelijk gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zal de rechtbank hier eerst een oordeel over geven.
6.1.
Eiser heeft verweerder met de brief van 28 december 2025 in gebreke gesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat op dat moment de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling gelet daarop geldig was. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser op 15 januari 2026 beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Op 3 februari 2026 heeft verweerder alsnog op eisers aanvraag beslist. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag komen te vervallen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen.
6.2.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op eisers asielaanvraag is genomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen.
6.3.
Eiser heeft tegen het besluit van 3 februari 2026 ook apart beroep ingesteld, wat is geregistreerd onder zaaknummer NL26.7253. Nu het beroep wat eiser (aanvankelijk) heeft ingediend tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege ook is gericht tegen het besluit van 3 februari 2026, [7] is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij de behandeling het beroep wat door hem is ingediend nadat het besluit van 3 februari 2026 is genomen. Het beroep NL26.7253 is daarom niet-ontvankelijk.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene situatie in Syrië?
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, [8] nu de in het besluit verrichte 15-c beoordeling niet volledig is. Verweerder heeft namelijk bij deze beoordeling nagelaten om de individuele omstandigheden van eiser en de meest actuele informatie over de (humanitaire) omstandigheden in Syrië op navolgbare wijze te betrekken, en heeft nagelaten om deze aan elkaar te relateren. [9]
7.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit op basis van zijn beleid aangenomen dat er in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit gebaseerd op informatie uit de ambtsberichten over Syrië van mei 2025 en januari 2026. Verder heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de humanitaire situatie in Syrië niet of nauwelijks te wijten is aan een actor die partij is bij een lopend gewapend conflict, maar juist het gevolg is van jarenlange oorlog, internationale sancties en het regime Assad. Verweerder heeft erop gewezen dat de humanitaire situatie globaal moet worden meegewogen in de ‘15c-beoordeling’ als dit een direct of indirect gevolg is van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een actief gewapend conflict. Daarvan is volgens verweerder geen sprake en daarom spelen de humanitaire omstandigheden geen rol in de 15c-beoordeling. Verweerder heeft daarbij gewezen op de
Country Guidance Syriavan EUAA, een rapport van UK Home Office van juli 2025 en een niet nader gespecificeerde of gedateerde bron van ‘fluechtelingshilfe.ch’. Verweerder heeft zich ten slotte ter zitting op het standpunt gesteld dat de individuele omstandigheden van eiser geen risico verhogende factoren zijn en dat eiser niet heeft kunnen motiveren dat daar wél sprake van zou zijn.
7.2.
Ten aanzien van het betrekken van de humanitaire omstandigheden in de 15c-beoordeling overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. Maar, mede gelet op de volatiele situatie in Syrië had verweerder de huidige humanitaire omstandigheden in Syrië moeten beoordelen aan de hand van actuele bronnen en kon verweerder niet volstaan met de verwijzingen naar verouderde informatie en een niet-gespecificeerde bron. Met deze algemene verwijzingen kan de rechtbank bovendien niet nagaan welke humanitaire omstandigheden verweerder heeft betrokken en op basis van welke informatie verweerder tot de conclusie is gekomen dat de omstandigheden niet worden veroorzaakt of in stand gelaten door partijen die actief zijn bij een gewapend conflict.
7.3.
Daar komt bij dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten de individuele omstandigheden van eiser te betrekken in de 15c-beoordeling. Eiser heeft erop gewezen dat hij als kind is vertrokken uit Syrië en daarom niet bekend is met Syrië, dat hij als jonge adolescent terugkeert zonder netwerk, woning of vangnet. Zo ontbreekt het in het besluit aan een beoordeling van hoe het in [plaats] voorkomende willekeurig geweld en de humanitaire omstandigheden (die al dan niet worden veroorzaakt door strijdende partijen) impact zullen hebben op eiser, gelet op deze door eiser geschetste omstandigheden. Daarbij dient tevens aandacht te worden besteed aan de vraag of eisers individuele omstandigheden hem al dan niet kwetsbaarder maken voor het willekeurig geweld en de humanitaire omstandigheden die relevant zijn in het kader van de 15c-beoordeling.
7.4.
De enkele stelling van verweerder dat de humanitaire situatie slechts een relevante omstandigheid is die globaal in aanmerking moet worden genomen en/of slechts ten dele kan meewegen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende motivering. Voor de stelling dat de omstandigheden slechts in zeer beperkte mate gerelateerd zijn aan het lopende conflict, geldt hetzelfde – immers oordeelt de rechtbank in de voorgaande rechtsoverweging dat verweerder dat standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd. Bovendien heeft verweerder niet inzichtelijk gemotiveerd wat de humanitaire omstandigheden, zelfs als deze ‘in zeer beperkte mate’ gerelateerd zijn aan het conflict, betekenen voor de situatie waarin eiser zich zal bevinden gelet op zijn omstandigheden.
7.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich gelet op het voorgaande niet zonder meer op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van risico-verhogende omstandigheden. De beroepsgrond slaagt.
Artikel 3 van Pro het EVRM
8. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ook onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.
8.1.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. [10] Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van Pro het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. [11]
8.2.
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi [12] twee situaties onderscheidt:
- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor het aannemen van een reëel risico op een schending van artikel 3 van Pro het EVRM hoger.
8.3.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit en ter zitting op het standpunt gesteld dat van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM geen sprake is, nu niet wordt voldaan aan de hogere lat van
"very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling". Volgens verweerder heeft eiser geen individuele omstandigheden aangevoerd waarmee de hoge lat wordt gehaald. In het verweerschrift heeft verweerder er verder op gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd. [13]
8.4.
De rechtbank is ten eerste van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de ‘lichtere’ toets. Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet namelijk gekeken worden naar eisers ‘
ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ [14] Verweerder heeft, in het kader van artikel 3 van Pro het EVRM, niet gemotiveerd dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen.
8.5.
Ten tweede heeft verweerder, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, onvoldoende gemotiveerd dat hieraan niet wordt voldaan. Verweerder heeft namelijk de individuele omstandigheden van eiser niet kenbaar betrokken in dit onderdeel van de beoordeling. Het enkele noemen van twee van de omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht (namelijk zijn jonge leeftijd en het ontbreken van een vangnet) is hiervoor onvoldoende. Eiser heeft er voorts ook op gewezen dat het ambtsbericht melding maakt van rekrutering van jonge mannen door partijen als IS. Ook dit is een omstandigheid die bij de onderhavige beoordeling dient te worden betrokken. Verweerder heeft dit nagelaten.
8.6.
De rechtbank overweegt ten slotte dat de enkele verwijzing naar het opheffen van de voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man door het EHRM, onvoldoende invulling is van de toets aan artikel 3 EVRM Pro. Het EHRM heeft de voorziening opgeheven omdat niet is aangetoond dat de Syrische man, gelet op de huidige veiligheidssituatie in Syrië en de individuele omstandigheden van de zaak, bij terugkeer naar Syrië een reëel en onmiddellijk risico zou lopen op onherstelbare schending van zijn rechten zoals gewaarborgd door de artikelen 2 en 3 van het EVRM. Het EHRM heeft echter niet nader gemotiveerd waarom het in die zaak tot dit oordeel is gekomen en welke individuele omstandigheden er speelden. Verweerder moet zelf een individuele beoordeling maken van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Daarbij dienen alle relevante individuele omstandigheden te worden betrokken.
Toepassing buitenschuldbeleid AMV en behandeling van het beroep terwijl het terugkeerbesluit is ingetrokken.
9. De rechtbank stelt vast dat verweerder vlak voor de zitting het opgelegde terugkeerbesluit heeft ingetrokken omdat er volgens hem nader onderzoek gedaan moet worden naar de vraag of er familieleden van eiser aanwezig zijn in Syrië en er daarmee adequate opvang beschikbaar zou zijn geweest. Ter zitting hebben partijen hun standpunten kenbaar gemaakt over de vraag of dit onderdeel van het besluit en het daaraan voorafgaande onderzoek los gezien kan worden van het onderzoek en het besluit op de asielaanvraag. Immers raakt het onderzoek wat verweerder nog wenst uit te voeren aan de individuele omstandigheden van eiser – die relevant kunnen zijn in de beoordeling van zijn asielaanvraag. De rechtbank komt evenwel niet toe aan het beoordelen van deze vraag, omdat het bestreden besluit al wordt vernietigd op grond van al het voorgaande.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep met zaaknummer NL26.7253 is niet-ontvankelijk.
11. Het beroep met zaaknummer NL26.2579 is niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen.
12. Het beroep met zaaknummer NL26.2579 is gegrond voor zover het is gericht tegen het alsnog genomen besluit. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
13. Omdat verweerder te laat heeft beslist en omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.335,-. [15]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep met zaaknummer NL26.2579, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep met zaaknummer NL26.2579, voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit, gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 3 februari 2026;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • verklaart het beroep met zaaknummer NL26.7253 niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
2.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).
3.Zie paragraaf C7/33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
4.Zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5.Arrest
6.De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530
7.Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
8.Zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
9.De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij de uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.
11.Arrest
12.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (
13.Persbericht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 september 2025 in de zaak A.F. tegen Oostenrijk (zaaknummer 24394/25).
14.Arrest Sufi en Elmi, punt 283.
15.1 punt voor het indienen van het beroepschrift niet tijdig beslissen met een waarde per punt van