ECLI:NL:RBDHA:2026:17822

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
NL25.51186 NL25.51186
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 3:46 AwbArt. 3.107a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 34 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd wegens onterecht niet voldoen inburgeringsvereiste

Eisers dienden in 2019 hun eerste asielaanvragen in, die niet werden behandeld vanwege de Dublinverordening. Na langdurige procedures en vertragingen werden in 2025 verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht verleend, maar de geldigheidsduur was toen al verstreken. Hierdoor moesten eisers direct aanvragen indienen voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, waarvoor zij niet aan het inburgeringsvereiste konden voldoen.

De minister wees deze aanvragen af wegens het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste, zonder voldoende rekening te houden met de bijzondere omstandigheden en de lange besluitvorming die niet aan eisers te wijten waren. De rechtbank oordeelt dat de minister het evenredigheidsbeginsel niet deugdelijk heeft toegepast en onvoldoende heeft meegewogen dat de situatie geheel door de minister is veroorzaakt.

De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten en beveelt de minister binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eisers.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en beveelt een nieuwe beoordeling door de minister.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51185 en NL25.51186

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam], eiser,

geboren op [datum],
burger van Niger,
V-nummer: [nummer],

[naam], eiseres,

geboren op [datum],
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
mede namens hun minderjarige kinderen:

[naam],

geboren op [datum],
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],

[naam],

geboren op [datum],
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],

[naam],

geboren op [datum],
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
hierna tezamen: eisers,
(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de besluiten waarbij hun aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd zijn afgewezen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen voor onbepaalde tijd niet in stand kan blijven en dat de minister een nieuwe beoordeling moet verrichten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 10 maart 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluiten van 2 april 2025 heeft de minister deze aanvragen ingewilligd.
2.1.
Eisers hebben op 11 april 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 23 september 2025 deze aanvragen afgewezen en bij diezelfde besluiten de geldigheidsduur van de verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd van eisers verlengd tot 5 april 2029.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het beroep is alleen gericht tegen de afwijzing van hun aanvragen om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het verloop van de procedure
3. Eisers hebben op 5 april 2019 hun eerste asielaanvraag ingediend. Deze aanvragen zijn op 2 september 2019 niet in behandeling genomen omdat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk was voor de behandeling van hun asielaanvragen. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats De Bosch heeft in de uitspraak van 5 juli 2021 deze besluiten vernietigd, maar de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand gelaten. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in de uitspraak van 13 september 2021, de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
4. Omdat eisers niet tijdig zijn overgedragen en het niet in behandeling nemen van hun eerdere aanvragen in rechte onaantastbaar zijn geworden, zijn eisers op 23 februari 2022 uitgenodigd in Nederland opnieuw een asielaanvraag in te dienen.
4.1.
Op 10 maart 2022 hebben eisers nieuwe asielaanvragen ingediend. Bij besluiten van 2 april 2025 zijn aan hen verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd verleend voor de periode van 5 april 2019 tot 5 april 2024.
5. Een dag later, op 3 april 2025 krijgen eisers een brief waarin wordt aangegeven dat hun verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd binnenkort niet meer geldig zijn. Daarin wordt onder meer aangegeven dat eisers een nieuwe aanvraag kunnen indienen voor 8 april 2023.
5.1.
Eisers dienen op 11 april 2025 aanvragen in voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Daarbij geven eisers aan dat wanneer deze aanvragen worden afgewezen, de aanvragen ook betrekking hebben op het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfvergunningen asiel voor bepaalde tijd.
5.2.
Bij de bestreden besluiten van 23 september 2025 heeft de minister eisers aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 3.107a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), omdat niet is voldaan aan het inburgeringsvereiste en eisers hiervan niet zijn vrijgesteld of ontheven. Bij dezelfde besluiten heeft de minister de geldigheidsduur van eisers verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd met 5 jaar verlengd tot 5 april 2029.
Beoordeling van eisers beroepsgronden
6. Eisers voeren aan dat aan hen ten onrechte niet ambtshalve vanaf het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd, dan wel vanaf 2 april 2025 dan wel vanaf de datum van hun aanvragen op 11 april 2025, geen verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd zijn verleend.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht en met een deugdelijke motivering niet ambtshalve een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd aan eisers heeft verleend vanaf het verstrijken van de geldigheidsduur van de eerder aan eisers verleende vergunningen dan wel vanaf 2 april 2025. Uit de wet en regelgeving blijkt dat een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd alleen op aanvraag kan worden verleend en dat de aanvraagdatum bepalend is voor de aanvangsdatum van de verblijfsvergunning. Verder is nergens geregeld dat hierop uitzonderingen mogelijk zijn dan wel dat bij het verstrijken van de geldigheidstermijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ambtshalve op de datum waarop de geldigheidsduur van de vergunning verstrijkt, de minister gehouden is een vergunning voor onbepaalde tijd te verlenen. Deze beroepsgrond van eisers slaagt niet.
8. Eisers voeren verder aan dat de minister ten onrechte hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd heeft afgewezen wegens het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste. Deze beroepsgrond slaagt wel. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
9. Eisers betogen dat het tegenwerpen van het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste onredelijk is, omdat zij niet aan dit vereiste konden voldoen door het trage handelen van de minister. Eisers stellen dat de minister pas ruim vijf jaar na de indiening van hun asielaanvragen verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd heeft verleend, met terugwerkende kracht, waardoor de geldigheidsduur van die vergunningen bij de inwilliging feitelijk al was verstreken. Eisers dienden na het verstrijken van de geldigheidsduur direct nieuwe aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in en hebben door de handelwijze en trage besluitvorming van de minister geen reële mogelijkheid gehad om tijdig aan het inburgeringsvereiste te voldoen.
9.1.
Volgens eisers had de minister onder deze omstandigheden toepassing moeten geven aan de hardheidsclausule van artikel 3.107a, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, omdat strikte toepassing van het inburgeringsvereiste leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Daarnaast stellen eisers dat de bestreden besluit in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. Eisers betogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het tegenwerpen van het inburgeringsvereiste en de afwijzing van hun aanvragen niet onevenredig zijn. Volgens eisers heeft de minister gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat de nadelige gevolgen van de langdurige besluitvorming geheel voor hun rekening zijn gekomen, terwijl de trage besluitvorming en de bijzondere omstandigheden in deze zaken niet aan hen zijn toe te rekenen.
10. De minister stelt zich op het standpunt dat de aanvragen voor de verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd terecht zijn afgewezen, omdat eisers niet voldoen aan het inburgeringsvereiste. De minister stelt dat eisers geen relevante bewijsstukken hebben overgelegd en dat niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die aanleiding geven om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De enkele omstandigheid dat de asielprocedure lang heeft geduurd en eisers gedurende die periode niet inburgeringsplichtig waren, betekent volgens de minister niet dat eisers in de toekomst niet in staat zijn om het inburgeringsexamen te behalen. Ook acht de minister het stellen van het inburgeringsvereiste niet onevenredig bezwarend, omdat eisers zelf hebben verklaard te willen en te kunnen inburgeren. Volgens de minister is daarom geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel.
11. De rechtbank overweegt eerst dat vast staat dat eisers ten tijde van de bestreden besluiten niet voldeden aan het inburgeringsvereiste als bedoeld in artikel 3.107a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Ook staat vast dat eisers op dat moment wel voldeden aan de voorwaarde van vijf jaar rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 34 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
11.1.
Verder staat vast dat asielaanvragen van eisers van 10 maart 2022 bij besluiten van 2 april 2025 zijn ingewilligd en dat daarbij rekening is gehouden met hun eerdere aanvragen van 5 april 2019, omdat de vergunningen zijn verleend met terugwerkende kracht voor de duur van vijf jaar, tot 5 april 2024. Daardoor was de geldigheidsduur van de aan eisers verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd op het moment van verlening al lang verstreken. Ook staat vast dat eisers zo spoedig mogelijk na deze besluiten aanvragen hebben ingediend voor verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd.
12. Op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw kan de minister een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afwijzen indien de vreemdeling niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. De omstandigheid dat het inburgeringsvereiste een wettelijk vereiste is, laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat de minister bij de uitoefening van zijn bevoegdheid het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb in acht dient te nemen. Dat betekent dat de minister deugdelijk moet beoordelen of de voor eisers nadelige gevolgen van de besluiten niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
12.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deze beoordeling niet deugdelijk verricht en zich onvoldoende rekenschap gegeven van de uitzonderlijke feitelijke en juridische situatie in de zaken van eisers. Vast staat immers dat de minister pas na verloop van bijna zes jaar op de eerste asielaanvragen van eisers heeft beslist. Als gevolg daarvan zijn de verblijfsvergunnineng asiel voor bepaalde tijd pas verleend nadat de oorspronkelijke geldigheidsduur daarvan feitelijk al was verstreken. Daardoor zijn eisers in een positie gebracht dat zij onmiddellijk aanvragen om een verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd moesten indienen, terwijl zij nog niet in staat waren gesteld aan de voorwaarden daarvan te kunnen voldoen. De minister heeft dit in het bestreden besluit onvoldoende onderkend en meegewogen.
12.2.
De minister heeft in het bestreden besluit evenmin deugdelijk meegewogen dat deze situatie volledig is ontstaan door toedoen van de minister. Nergens uit blijkt dat eisers kan worden verweten dat ze niet tijdig zijn overgedragen aan Italië of dat de uitzonderlijk lange duur van de besluitvorming aan eisers zou zijn toe te rekenen. Eisers ondervinden hiervan nadelige gevolgen, omdat zij door toedoen van de minister nimmer over reguliere mogelijkheden beschikten die houders van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd normaliter hebben om tijdig aan hun inburgeringsplicht te voldoen. Door toedoen van de minister is derhalve aan eisers de mogelijkheid ontnomen om tijdig aan het inburgeringsvereiste te voldoen. Dit mag naar het oordeel van de rechtbank niet voor rekening en risico van eisers komen.
12.3.
De rechtbank kan op grond van het hier bovenstaande het standpunt van de minister dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, niet delen. De minister heeft bij afwijzing van de aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, gezien de bijzondere feiten en omstandigheden de onevenredige gevolgen voor eisers onvoldoende onderkend en gewogen. De enkele omstandigheid dat ook andere vreemdelingen te maken hebben gehad met lange beslistermijnen doet hier niet aan af. De situatie van eisers onderscheidt zich hiervan immers doordat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd pas is verleend nadat de oorspronkelijke geldigheidsduur al was verstreken, waardoor eisers de mogelijkheid is ontnomen om aansluitend aan de eerste vijfjaarsperiode te trachten onder de gebruikelijke voorwaarden in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.
12.4.
Het standpunt van de minister dat eisers in de toekomst alsnog aan het inburgeringsvereiste kunnen voldoen, doet aan het voorgaande niet af. Bovendien blijven eisers door de bestreden besluiten aangewezen op verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd, waardoor zij opnieuw voor een periode van vijf jaar in onzekerheid verkeren over hun verblijfsrechtelijke positie.

Conclusie en gevolgen

13. De bestreden besluiten zijn in strijd met artikel 3:4, tweede lid, en artikel 3:46 van Pro de Awb. De overige beroepsgronden hoeven daarom geen bespreking meer. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen. De minister zal opnieuw op eisers aanvragen om een asielvergunning voor onbepaalde tijd een besluit moeten nemen.
14. Omdat het beroep gegrond is hebben eisers recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.802,- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1)

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten voor zover daarin eisers aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is afgewezen;
- bepaalt dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit op deze aanvragen van eisers neemt;
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van
€ 2802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.