ECLI:NL:RBDHA:2026:17788

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
NL25.43804 en NL25.43805
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 Awbparagraaf C2/3.4 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvragen wegens onvoldoende motivering beschermingsalternatief in Pakistan

Eisers, Pakistaanse christenen, vroegen asiel aan vanwege bedreigingen en mishandeling door een islamitisch geestelijke en vreesden vervolging wegens blasfemiebeschuldiging. De minister wees de aanvragen af, stellende dat eisers zich elders in Pakistan konden vestigen als beschermingsalternatief.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht niet aannam dat eisers vreesden voor Pakistaanse autoriteiten, maar onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers geen vrees zouden hebben voor een radicaal religieuze beweging. De rechtbank stelt dat de minister onvoldoende rekening hield met de specifieke dreiging en de praktische haalbaarheid van het beschermingsalternatief.

De rechtbank vernietigt de besluiten en draagt de minister op binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen, met inachtneming van de uitspraak. Tevens veroordeelt zij de minister in de proceskosten van €1.868,-.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvragen wegens onvoldoende motivering over vrees voor radicaal religieuze beweging en beschermingsalternatief.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.43804 en NL25.43805

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam 1] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiser

[naam 2], V-nummer: [V-nummer 2] , eiseres
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: drs. J.D. Albarda).

Procesverloop

Eisers hebben op 30 augustus 2023 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Bij afzonderlijke besluiten van 5 september 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eisers hebben op 10 september 2025 beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De rechtbank heeft de beroepen op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, V. Sharma als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum 1] en eiseres is geboren op [geboortedatum 2] . Zij hebben beiden de Pakistaanse nationaliteit en zijn beiden christen. Eiseres heeft haar asielaanvraag mede ingediend namens haar minderjarige kinderen [naam 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2022 en [naam 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2024 .
1.2.
Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eiser had in [locatie] een fotostudio in een winkelpand, dat hij huurde van [naam 5] , de eigenaar van het pand. [naam 5] is een molwi (islamitisch geestelijke) die ook klant van eiser was. Nadat [naam 5] ontdekte dat eiser christen is, viel hij klanten van eiser lastig, stal hij geld en spullen van eiser en heeft hij eiser mishandeld en bedreigd. Hij wilde dat eiser de winkel zou verlaten. Eiser heeft een klacht over [naam 5] ingediend bij de politie. Die klacht leidde ertoe dat eiser op 16 augustus 2023 in zijn winkel door [naam 5] en een andere man is mishandeld. Daarbij werd hij beschuldigd van blasfemie en bedreigd met verbranding. Op blasfemie staat in Pakistan de doodstraf. Eiser wist op dat moment te ontsnappen. Hij hoorde later van zijn vader dat vanuit de moskee verkondigd werd dat eiser een ongelovige, een christen is, die oneerbiedig is geweest tegen de Koran en respectloos tegen de profeet en dat hij daarom mocht worden gedood. Eisers zijn daarop hun woonplaats ontvlucht en hebben vervolgens op 23 augustus 2023 Pakistan verlaten. Eisers stellen niet terug te kunnen keren naar Pakistan omdat de beschuldiging van blasfemie nog actueel is en zij vrezen bij terugkeer te worden gedood.
Bestreden besluiten
2.
2.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • Doodsbedreigingen vanwege problemen met [naam 5] .
Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder het volgende asielmotief:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst.
Omdat het asielrelaas van eiseres afhankelijk is van het relaas van eiser en zij niet heeft verklaard over andere redenen voor haar om het land van herkomst te verlaten, heeft verweerder geconcludeerd dat er in het geval van eiseres geen tweede asielmotief is. Voor de motivering van het besluit ten aanzien van eiseres is (grotendeels) verwezen naar het besluit van eiser.
2.2.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eisers aangevoerde asielmotieven geloofwaardig zijn. Verweerder ziet echter geen grond voor verlening van een asielvergunning aan eisers. Dat eisers uit Pakistan komen is daarvoor op zichzelf niet genoeg. Christenen in Pakistan behoren tot een risicoprofiel, maar dit laat onverlet dat aan de hand van de individuele omstandigheden van eisers beoordeeld moet worden of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Pakistan. Niet gebleken is dat eiser vanwege zijn religie te vrezen heeft voor de Pakistaanse autoriteiten. Ook is er geen aanleiding om aan te nemen dat eiser problemen heeft ondervonden met radicaal religieuze bewegingen. Verweerder volgt wel dat voor eiser een dreiging uitgaat van [naam 5] en mogelijk vijandige buurtbewoners in [locatie] , maar meent dat eiser zich bij terugkeer aan die dreiging kan onttrekken door zich elders in Pakistan te vestigen. Aan eisers wordt aldus een beschermingsalternatief tegengeworpen. Uit het Thematisch ambtsbericht over de positie van ahmadi’s en christenen in Pakistan 2017-2020 van december 2020 volgt dat christenen in Pakistan zich elders in dat land kunnen vestigen. De door eisers aangehaalde informatie uit recentere (algemene) ambtsberichten over Pakistan van september 2022 en juli 2024 over de mogelijkheden tot verhuizing binnen Pakistan, geeft geen aanleiding om tot een ander standpunt te komen, omdat die informatie betrekking heeft op situaties waarin sprake is van dreiging vanwege problemen met fanatieke religieuze bewegingen, wat in het geval van eisers niet aan de orde is, aldus verweerder.
Beroepsgronden
3. Eisers betogen allereerst dat verweerder ten onrechte niet aannemelijk acht dat eiser bij terugkeer naar Pakistan te vrezen heeft voor de Pakistaanse autoriteiten en tevens voor een radicaal religieuze beweging. Volgens eisers is wel degelijk aannemelijk dat eiser door de Pakistaanse autoriteiten wordt gezocht of zal worden gezocht, omdat er vanwege de blasfemiebeschuldiging een (mondelinge) fatwa tegen hem is uitgebracht, wat kan leiden tot een aangifte tegen hem. Daarnaast heeft eiser ook te vrezen voor een radicaal religieuze beweging. De eigenaar van de winkel, [naam 5] , is een molwi (islamitisch geestelijke). Uit wat [naam 5] en de man die bij hem was tegen eiser zeiden tijdens het incident op 16 augustus 2023 en de daarbij gemaakte gebaren, leiden eisers af dat deze mannen verbonden zijn aan een radicaal religieuze beweging. Het gaat dan om de Tehreek-e-Labbaik Pakistan (TLP) ofwel de Tehreek Labbaik Ya Rasool Allah (TLYR). Eisers betogen verder dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat aan eisers een beschermingsalternatief in Pakistan kan worden tegengeworpen. Een beschermingsalternatief is in hun geval niet aan de orde, alleen al omdat de dreiging voor eiser (onder andere) uitgaat van de Pakistaanse autoriteiten. Verder volgt uit de ambtsberichten over Pakistan van september 2022 en juli 2024 dat bij een dreiging die uitgaat van radicaal religieuze bewegingen, waarvan in het geval van eiser sprake is, de mogelijkheid om te verhuizen naar een ander deel van het land in de praktijk afhankelijk blijkt van verschillende factoren. Van belang zijn bijvoorbeeld het bereik van de religieuze beweging en de aard van de bedreiging. Verweerder heeft over deze factoren ten onrechte niets overwogen in de besluiten en dus ten onrechte geen nadere individuele afweging aan de hand daarvan gemaakt. Verweerder heeft bovendien, ook indien aangenomen moet worden dat de dreiging voor eiser alleen uitgaat van [naam 5] en eventuele vijandige buurtbewoners, nagelaten te onderzoeken of eisers in een ander deel van Pakistan onder normale omstandigheden naar lokale maatstaven hun leven kunnen leiden. Verweerder had dit onderzoek op grond van zijn beleid in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) wel moeten verrichten. Eisers verwijzen in dit verband naar informatie uit het ambtsbericht van juli 2024 over belemmeringen die gelden bij een verhuizing binnen Pakistan. Ook dat maakt dat de besluiten geen stand kunnen houden. Eisers zien steun voor hun standpunten in de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 20 mei 2025 in de zaak NL25.8249 en de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2025 in de zaak NL25.21860.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank zal eerst ingaan op de beroepsgrond van eisers over verweerders standpunt dat eiser bij terugkeer enkel te vrezen heeft voor [naam 5] en mogelijk vijandige buurtbewoners in [locatie] en niet ook voor de Pakistaanse autoriteiten en voor een radicaal religieuze beweging.
Vrees voor de Pakistaanse autoriteiten
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht niet aannemelijk heeft geacht dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft voor de Pakistaanse autoriteiten. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat niet is gebleken dat eiser formeel is beschuldigd van blasfemie door de Pakistaanse autoriteiten en dat er tot op heden geen aanwijzingen zijn dat eiser om die reden door de autoriteiten wordt gezocht of in de negatieve belangstelling staat. Eiser heeft Pakistan ook op legale wijze kunnen uitreizen. Verder zijn er geen aanknopingspunten om aan te nemen dat er wegens blasfemie aangifte tegen eiser is of zal worden gedaan. Verweerder heeft daarbij kunnen wijzen op het tijdsverloop sinds eisers vertrek uit Pakistan.
Vrees voor een radicaal religieuze beweging
4.2.
Eiser heeft tijdens het nader gehoor in het vrije relaas verklaard dat tijdens het incident op 16 augustus 2023 waarbij hij van blasfemie werd beschuldigd, werd mishandeld en bedreigd door [naam 5] en de andere man, ‘Labayak’ werd geroepen waarbij de handen omhoog werden gehouden, en dat eiser weet dat islamitische organisaties in Pakistan dat roepen. In beroep stellen eisers hierover dat uit door hen geraadpleegde nieuwsberichten blijkt dat ‘Labbaik’ (wat in het verslag van het gehoor opgeschreven is als ‘Labayak’) onderdeel is van de strijdkreet en de naam van de radicaal religieuze groepen TLP en TLYR. Deze groepen uiten die kreet tijdens aanvallen waarbij zij opkomen voor de profeet Mohammed wanneer deze wordt beledigd. Eisers wijzen daarbij op een concreet incident dat in het nieuws is geweest van een man die werd verbrand omdat hij een religieuze sticker van zijn voertuig had verwijderd. Tijdens de aanval op deze man werd de strijdkreet ook geroepen. Volgens eisers zijn het gebruik van de term ‘Labbaik’ en de daarbij gemaakte gebaren op 16 augustus 2023 daarom een indicatie dat [naam 5] en de man die bij hem was, verbonden zijn aan ofwel de TLP ofwel de TLYR. Gelet daarop is volgens eisers wel degelijk aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Pakistan te vrezen heeft voor een radicaal religieuze beweging. Ter illustrering van de macht van [naam 5] wijzen eisers er nog op dat kort na het uiten van de blasfemiebeschuldiging aan eisers adres er vanuit de moskee in de wijk een oproep werd gedaan om eiser vanwege blasfemie te doden. Verweerder heeft ter zitting zijn standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser heeft te vrezen voor een radicaal religieuze beweging, gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder gesteld dat eisers niet hebben onderbouwd dat [naam 5] lid is van de TLP dan wel de TLYR en ook niet dat [naam 5] binnen één van deze bewegingen een prominente positie heeft. De kreet ‘Labbaik’, met de strekking dat wordt gehandeld in opdracht van de god, is volgens verweerder bovendien een algemene uitroep die ook door anderen gedaan kan worden.
4.3.
De rechtbank overweegt dat hoewel de kreet ‘Labbaik’ mogelijk ook door anderen wordt geuit, vastgesteld wordt verweerder ter zitting niet heeft weersproken dat ‘Labbaik’ ook de strijdkreet is van de TLP en de TLYR en dat deze uitroep door leden van deze religieuze bewegingen wordt gedaan tijdens aanvallen tegen personen die de profeet Mohammed hebben beledigd. Hiervan uitgaand en in overweging nemend dat eiser in zijn gehoor duidelijk heeft verklaard dat tijdens het incident op 16 augustus 2023 deze bewuste uitroep is gedaan, in verband met een blasfemiebeschuldiging aan zijn adres, door een persoon die hij kent als een geestelijke, acht de rechtbank verweerders standpunt dat niet aannemelijk is dat [naam 5] is verbonden aan een radicaal religieuze beweging, niet zonder meer deugdelijk gemotiveerd. Hieruit volgt dat verweerder er ook niet zonder nadere motivering vanuit heeft kunnen gaan dat eiser in Pakistan geen problemen heeft ondervonden met een radicaal religieuze beweging en hij bij terugkeer daarom niet voor zo’n beweging te vrezen heeft. De beroepsgrond van eisers slaagt dus in zoverre.
5. Over de beroepsgrond ten aanzien van het tegengeworpen beschermingsalternatief overweegt de rechtbank als volgt.
5.1.
Het hierboven gegeven oordeel van de rechtbank over het motiveringsgebrek in de bestreden besluiten ten aanzien van de vraag naar de vrees voor een radicaal religieuze beweging, heeft ook consequenties voor de beoordeling van verweerders standpunt over het aan eisers tegengeworpen beschermingsalternatief. Eisers wijzen er terecht op dat volgens het ambtsbericht van juli 2024 verhuizing naar een ander deel van Pakistan niet zonder meer mogelijk is bij een dreiging die uitgaat van radicaal religieuze bewegingen. De mogelijkheid om zich elders te vestigen is in zo’n geval afhankelijk van verschillende factoren, waaronder de reikwijdte van de invloed van de religieuze groepering en of die op een nieuwe plaats eenzelfde bedreiging vormt. Nu hiervoor is geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen problemen heeft ondervonden met een radicaal religieuze groepering, kan verweerders standpunt in de bestreden besluiten dat de hiervoor bedoelde informatie uit het ambtsbericht niet van toepassing is in het geval van eisers en een beoordeling van de daar genoemde factoren daarom niet hoeft plaats te vinden, evenmin zonder nadere motivering worden gevolgd.
5.2.
Eisers hebben er verder op gewezen dat het beleid in paragraaf C2/3.4 van de Vc in het kader van de vraag of een ander gebied in het land van herkomst voldoet als beschermingsalternatief, onder meer als voorwaarde stelt dat van de vreemdeling redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt. Hierop is als toelichting gegeven dat de vreemdeling zich in het gebied moet kunnen vestigen en een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. Eisers voeren terecht aan dat in de bestreden besluiten niet deugdelijk is gemotiveerd waarom van hen kan worden verwacht dat zij zich in een ander deel van Pakistan vestigen. Uit de besluiten blijkt namelijk niet dat verweerder heeft onderzocht hoe de individuele omstandigheden van eisers zich verhouden tot de plaatselijke maatstaven, zoals in de beleid bedoeld. Eisers wijzen er verder terecht op dat in het ambtsbericht van juli 2024 is vermeld dat voor veel Pakistanen verhuizing naar een ander deel van het land geen haalbare optie is door beperkingen die onroerende goederen, uitgebreide familiebanden en landbouwgrondbezit met zich brengen. Het zal op een nieuwe plaats moeilijker zijn om een baan te vinden omdat banen meestal vergeven worden aan (verre) familieleden of bekenden. Het is moeilijk te verhuizen als je niet beschikt over een goede opleiding of genoeg financiële middelen. Ook zal het gemakkelijker zijn om te verhuizen naar een plaats waar de persoon binnen de etnische groep past, aldus het ambtsbericht. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder deze landeninformatie heeft betrokken in zijn beoordeling. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de motivering in de bestreden besluiten op dit punt niet voldoet, maar heeft het standpunt dat eisers zich elders in Pakistan kunnen vestigen, wel gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder als aanvullende motivering gegeven dat de vader van eiser zich ook elders in Pakistan heeft kunnen vestigen en dat niet valt in te zien waarom eisers zich niet bij hem kunnen voegen. Hierbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat eisers naar Pakistaanse maatstaven relatief goed zijn opgeleid, dat eiser zelfstandig fotograaf was met een eigen bedrijf, dat eiseres onderwijsassistente was en dat eisers diverse talen spreken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee niet alsnog een deugdelijke motivering gegeven. Zo is geen inzicht gegeven in de Pakistaanse maatstaven waarop verweerder doelt. Daarnaast zijn ook de in het ambtsbericht genoemde belemmeringen voor een verhuizing nog altijd onvoldoende door verweerder betrokken.
5.3.
De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond. De bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal verweerder met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb opdragen nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen van eisers met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder krijgt hiervoor een termijn van zes weken.
8. Omdat de beroepen gegrond zijn, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De rechtbank beschouwt de zaken daarbij als samenhangend in de zin van artikel 3 van Pro het Bpb.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt verweerder op binnen zes weken opnieuw op de asielaanvragen te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dommerholt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.