ECLI:NL:RBDHA:2026:17782

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
NL25.26707
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 85 Vw 2000Artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken gezinsband en middelenvereiste

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met het doel verblijf als familie- of gezinslid bij zijn vermeende vader, de referent. De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat niet is aangetoond dat er een feitelijke gezinsband of hechte persoonlijke banden bestaan tussen eiser en referent. Tevens voldoet de referent niet aan het middelenvereiste, aangezien hij een uitkering ontvangt en niet heeft aangetoond volledig arbeidsongeschikt te zijn.

Eiser voerde aan dat de verklaring van zijn moeder voldoende bewijs is voor de gezinsband en dat de minister ten onrechte aanvullende bewijsstukken eist. Ook stelde hij dat er sprake is van hechte persoonlijke banden en dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro niet heeft plaatsgevonden. Daarnaast stelde eiser dat de referent wel aan het middelenvereiste voldoet, omdat uit het ambtshalve onderzoek van de minister blijkt dat de referent een inkomen ontvangt dat voldoende zou zijn.

De rechtbank oordeelt dat eiser zijn stellingen niet voldoende heeft onderbouwd en dat de minister gemotiveerd heeft toegelicht waarom de aanvraag is afgewezen. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheden om zijn gezinsband te onderbouwen en is niet verschenen op de zitting. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van gezinsband en onvoldoende middelen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.26707
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 2010, van Surinaamse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. W. Hoebba),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M. Berkelmans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen en hebben toestemming gegeven de zaak op de stukken af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiser voor een mvv mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond en besluitvorming
4. Eiser heeft op 1 september 2023 een aanvraag ingediend voor een mvv voor verblijf bij zijn gestelde vader, de heer [persoon] , tevens referent.
4.1.
Met het primaire besluit heeft de minister de aanvraag afgewezen omdat de feitelijke gezinsband tussen eiser en referent niet is aangetoond. Niet is aangetoond dat referent een relatie had met de moeder van [eiser], op het moment dat [eiser] is verwekt of geboren. Evenmin is aangetoond dat sprake is van hechte persoonlijke banden. Daarvoor acht de minister van belang dat referent al voor de geboorte van eiser naar Nederland is verhuisd en dat niet is aangetoond dat zij als gezin hebben samengewoond. Ook zijn geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat referent contact heeft gehouden met eiser. Ook is niet aangetoond dat referent betrokken is bij de zorg en opvoeding van eiser. Evenmin is aangetoond dat referent regelmatig meebetaalt aan de kosten voor levensonderhoud van eiser. De minister neemt daarom geen familie- en gezinsleven aan. Bovendien voldoet referent niet aan het middelenvereiste. Referent heeft aangegeven dat hij een Participatiewet-uitkering krijgt, maar heeft niet aangetoond dat hij volledig arbeidsongeschikt is en blijvend niet aan de sollicitatieplicht kan voldoen.
4.2.
In bezwaar heeft eiser evenmin aangetoond dat er sprake is van een feitelijke gezinsband of hechte persoonlijke banden, en dat referent voldoet aan het middelenvereiste. De minister heeft het bezwaar met het bestreden besluit daarom ongegrond verklaard.
Standpunt eiser
5. Eiser voert aan dat met de verklaring van zijn moeder, waarin zij bevestigt dat eiser is verwerkt en geboren uit een relatie tussen haar en referent, voldoende is aangetoond dat sprake is van een feitelijke gezinsband. De minister vereist ten onrechte stukken van de relatie, terwijl bekend is dat dergelijke relaties in Suriname nergens worden geregistreerd. De minister gaat eraan voorbij dat ook sprake kan zijn van een latrelatie. Voorts stelt eiser dat er sprake is van hechte persoonlijke banden met referent. Er heeft dan ook ten onrechte geen belangenafweging plaatsgevonden in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM [1] .
5.1.
Daarnaast voert eiser aan dat wel degelijk is aangetoond dat referent aan het middelenvereiste voldoet. Uit eigen onderzoek van de minister is namelijk gebleken dat referent via [bedrijf] werkt en maandelijks € 2.176,23 ontvangt, hetgeen voldoende is.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank stelt vast dat wat betreft het familie- en gezinsleven de aangevoerde gronden een herhaling zijn van wat in bezwaar is aangevoerd en eiser zijn stellingen in beroep niet nader heeft onderbouwd. De minister is op de bezwaargronden in het bestreden besluit al gemotiveerd ingegaan. Eiser heeft niet onderbouwd waarom het standpunt van de minister onjuist zou zijn. De rechtbank merkt hierbij op dat door de minister meerdere gelegenheden zijn geboden om het familieleven tussen eiser en referent te onderbouwen. Eiser heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Ook heeft eiser afgezien van een hoorzitting. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in het bestreden besluit is gegeven. Daarbij is ook van belang dat eiser en zijn gemachtigde niet ter zitting zijn verschenen om de gronden van beroep nader toe te lichten. Het standpunt van eiser in beroep dat hij, gelet op het ambtshalve onderzoek van de minister, wel voldoet aan het middelenvereiste, volgt de rechtbank niet. De minister heeft in het verweerschrift terecht geconstateerd dat het inkomen van referent niet aan het ten tijde van het bestreden besluit geldende norm van €2.249,60 bruto per maand voldoet en bovendien zijn inkomen niet met stukken heeft onderbouwd. Het voorgaande betekent dat de beroepsgronden niet slagen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.