ECLI:NL:RBDHA:2026:17768

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
AWB 24-20707
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a Vreemdelingenwet 2000Art. 16 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.31 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8 Wet arbeid vreemdelingenArt. 9 Wet arbeid vreemdelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gecombineerde vergunning verblijf en arbeid voor derdelander op grond van negatief UWV-advies

Eiser, een Nigeriaanse derdelander die tijdelijk beschermd was op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, vroeg een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid aan. Deze aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen op basis van een negatief arbeidsmarktadvies van het UWV, dat onder meer wees op prioriteitgenietend aanbod en onvoldoende wervingsinspanningen van de werkgever.

Eiser voerde aan dat zijn bijzondere situatie, waarin hij al vier jaar zonder tewerkstellingsvergunning in Nederland werkte, een belangenafweging rechtvaardigde en dat het handhaven van de twv-plicht onevenredig was. De rechtbank oordeelde echter dat de wet dwingend voorschrijft dat het UWV-advies moet worden ingewonnen en dat er geen ruimte is voor een belangenafweging in dit kader.

De rechtbank overwoog dat het doel van de wetgeving is de Nederlandse arbeidsmarkt te beschermen en dat het weigeren van de vergunning op grond van het negatieve UWV-advies niet disproportioneel is. Eiser kon zijn stellingen over het onjuist zijn van het UWV-advies onvoldoende onderbouwen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 24/20707
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J. van Koesveld)
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. S.J.R.R. Brock).

Procesverloop

In het besluit van 4 juni 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag ten behoeve van eiser voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (hierna ‘gecombineerde vergunning’), voor het doel ‘arbeid in loondienst’ afgewezen.
In het besluit van 18 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Op 5 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geopend en de behandeling aangehouden bij ontbreken van een verweerschrift.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek op 21 mei 2026 hervat en het beroep op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk was aanwezig [persoon 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen [persoon 2] , werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1991 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit.
2. Eiser had tot 5 maart 2024 als derdelander recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming [1] (de richtlijn). Op basis van het besluit van verweerder van 25 februari 2024 mocht eiser ook na die datum gebruik blijven maken van de rechten die hij had onder de richtlijn. Zodoende mocht hij verblijven en werken in Nederland zonder dat daarvoor een tewerkstellingsvergunning (twv) vereist was. Ten tijde van de behandeling van het beroep was eisers tijdelijke bescherming weliswaar door verweerder beëindigd, maar viel eiser onder de bevriezingsmaatregel waardoor hij van deze rechten gebruik mocht blijven maken.
3. Op 28 februari 2024 heeft [bedrijf] BV (referent) ten behoeve van eiser een aanvraag ingediend voor een gecombineerde vergunning voor het verblijfsdoel ‘arbeid in loondienst’.
4. Verweerder heeft in het bestreden besluit de aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden die gelden voor afgifte van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid in loondienst’. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op de negatieve arbeidsmarktadviezen van het UWV van 3 juni 2024 (in het kader van de aanvraag) en 18 november 2024 (in het kader van het bezwaar). Het UWV heeft negatief geadviseerd op het verzoek om een gecombineerde vergunning omdat er sprake is van prioriteitgenietend aanbod, de arbeidsplaats niet tijdig aan het UWV is gemeld, de werkgever niet kan aantonen dat hij voldoende wervingsinspanningen heeft verricht, de geboden arbeidsvoorwaarden beneden het vereiste of gebruikelijke niveau liggen, en omdat de werkgever naar het oordeel van het UWV onnodig hoge functie-eisen stelt. Nu verweerder op grond van artikel 14a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) verplicht was om het UWV om advies te vragen en de genoemde afwijzingsgronden dwingend zijn voorgeschreven, is er geen ruimte voor een belangenafweging.
5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij stelt dat de aanvraag niet had moeten worden behandeld als een eerste aanvraag en dat het handhaven van de twv-plicht in het specifieke geval van eiser onevenredig is. Op grond van de bijzondere situatie van eiser had verweerder aan de advisering door het UWV voorbij kunnen en moeten gaan. De bijzondere situatie bestaat eruit dat eiser inmiddels al vier jaar zonder twv in Nederland werkt en dat de situatie waarin hij zich bevindt, als begunstigde van de richtlijn, niet in de wet is voorzien. Het is dan ook onredelijk om in zijn situatie aan de letter van de wet vast te houden.
Juridisch kader
6. Op grond van artikel 14a van de Vw besluit verweerder niet over de verlening, verlenging of intrekking van een gecombineerde vergunning dan nadat hij advies heeft gevraagd aan het UWV. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven. De nadere uitwerking van dit artikel is opgenomen in artikel 3.31, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), dat bepaalt dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ kan worden verleend indien geen afwijzingsgrond van toepassing is uit artikel 16 van Pro de Vw en de artikelen 8 en 9 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), tenzij het seizoensarbeid betreft. Op basis van artikel 8, eerste lid, van de Wav wordt een gecombineerde vergunning geweigerd – voor zover relevant in de onderhavige zaak - als sprake is van prioriteitgenietend aanbod (sub a), de arbeidsplaats niet tijdig aan het UWV is gemeld (sub b), de werkgever niet kan aantonen dat hij voldoende wervingsinspanningen heeft verricht (sub c), of de geboden arbeidsvoorwaarden beneden het vereiste of gebruikelijke niveau liggen (sub d). De gecombineerde vergunning kan ook geweigerd worden als de werkgever onnodig hoge functie-eisen stelt (artikel 9, eerste lid, sub f, van de Wav).
Oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank stelt vast dat verweerder op grond van artikel 14a van de Vw gehouden was om advies van het UWV in te winnen. Deze bepaling is dwingend geformuleerd zodat er voor verweerder geen ruimte was om van inwinning van het advies af te zien op grond van de specifieke situatie van eiser. [2]
8. De rechter kan in bijzondere gevallen een algemeen verbindend voorschrift toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. [3] Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. De rechtbank overweegt dat het doel van artikel 3.31, van het Vb is gelegen in de toetsing van het wezenlijk Nederlands belang bij de toelating van de vreemdeling tot de arbeidsmarkt. [4] De wetgever heeft hier een duidelijke keuze gemaakt waarbij de bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt voorop staat. De tewerkstellingsvergunning en de daaraan verbonden voorwaarden kunnen in het algemeen worden gezien als een geschikte en noodzakelijke manier om dat belang te dienen. Naar het oordeel van de rechtbank is het weigeren van de gevraagde vergunning om deze reden in dit geval niet disproportioneel. Eiser kan, onder voorwaarden, in aanmerking komen voor een gecombineerde vergunning. Zijn status als tijdelijk beschermde heeft, anders dan de aangevraagde vergunning, niet primair tot doel om de betrokken vreemdeling toe te laten tot de arbeidsmarkt. Het einde van de status betekent ook het einde van de toegang tot de arbeidsmarkt. In zoverre verschilt deze groep niet van andere derdelanders die op tijdelijke basis zonder tewerkstellingsvergunning in Nederland mogen werken. Eiser en zijn werkgever konden hiervan op de hoogte zijn. Niet is gebleken van omstandigheden daarnaast die maken dat de weigering van de gevraagde vergunning voor eiser persoonlijk onevenredig moet worden geacht. Deze beroepsgrond slaagt niet.
9. Voor zover eiser ter zitting nog heeft gesteld dat het UWV-advies onjuist is omdat dit ten onrechte uitgaat van het bestaan van prioriteitgenietend aanbod, stelt de rechtbank vast dat eiser zijn standpunt van het tegendeel niet heeft onderbouwd. Evenmin heeft eiser de overige op grond van artikel 8 en Pro 9 van de Wav genoemde tegenwerpingen gemotiveerd betwist. Nu elk van deze gronden afzonderlijk voldoende is om de weigering van de gecombineerde vergunning op te baseren, is er geen reden om een inhoudelijk oordeel te geven over de vraag of voldoende gemotiveerd is dat er prioriteitgenietend aanbod voorhanden was. Voor zover eiser aanvoert dat het kennelijk onredelijk is dat het op grond van de wet voor een uitzendbureau of uitlener onmogelijk is om een twv te verkrijgen, behoeft dit in het licht van hetgeen eerder is overwogen geen bespreking. Ook deze argumenten leiden niet tot gegrondverklaring van het beroep.
Conclusie
10. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 23 juni 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG en het hierop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.
2.Zie ook de uitspraak van de zittingsplaats Rotterdam van 23 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:11438, en zittingsplaats Amsterdam van 20 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6385.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452, en de uitspraak van het Collega van beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
4.Toelichting bij de invoering van het nieuwe Vb, Stb. 2000, 497