ECLI:NL:RBDHA:2026:17759
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens schending recht op rechtsbijstand
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister op 12 juni 2026. Eiser werd zonder aanwezigheid van een advocaat gehoord en in bewaring gesteld, terwijl hem niet was meegedeeld dat hij het recht had om tot twee uur te wachten op een piketadvocaat. Dit werd als een ernstig gebrek beoordeeld.
De rechtbank oordeelde dat het recht op rechtsbijstand, zoals vastgelegd in artikel 100, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, was geschonden. Gezien het ontbreken van zwaarwegende belangen van de minister, was de belangenafweging in het voordeel van eiser. De maatregel van vreemdelingenbewaring werd daarom vanaf het begin onrechtmatig verklaard.
De rechtbank beval de opheffing van de bewaring per 16 juni 2026 en kende een schadevergoeding toe van €600,- voor vijf dagen onrechtmatige bewaring. Tevens werden de proceskosten van eiser aan de minister opgelegd. De uitspraak werd direct na de zitting gedaan en is openbaar bekendgemaakt.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig verklaard, opgeheven per 16 juni 2026 en eiser krijgt een schadevergoeding van €600,- toegekend.